Het kaartvlak beslaat 234 km², ruim
zeventien bij dertieneneenhalve kilometer, en het heeft aan weerszijden een rivier als
lijst: in het westen de Drentsche Aa, in het oosten de
Hunze. Daartussen ligt de Hondsrug.
Die omlijsting maakt het een gebied en geen uitsnede. De Hondsrug is de zandrug die
het landijs heeft gekneed – erkend als UNESCO Global Geopark – en hij loopt van zuidoost
naar noordwest precies tussen de twee dalen door. De beekdalen van de Drentsche Aa zijn
beschermd als Nationaal beek- en esdorpenlandschap; het Hunzedal aan de overkant is hun
spiegelbeeld, en die tegenstelling is op de hoogtekaart het duidelijkst te zien.
Die combinatie is precies waarom er zoveel bewaard is gebleven. Op de droge rug bouwden
mensen hun grafmonumenten en liepen hun routes; in de natte dalen ernaast bleef de grond
eeuwenlang ongeploegd. En omdat de esdorpen tot in de negentiende eeuw met markegronden
werkten, bleven de heidevelden liggen waar elders alles op de schop ging.
Aan de oostkant ging het precies andersom. In het Hunzedal woonden mensen ín het dal,
op dekzandeilanden die een paar meter boven het veen uitstaken, en wat zij achterlieten
raakte onder dat veen bedekt in plaats van onder de ploeg. Op de rug is alles
platgetrokken, in het dal is het afgedekt – twee manieren waarop iets de eeuwen haalt.
Wat je op de hoogtekaart ziet, is dus het gevolg van hoe hier geboerd werd.
17 dorpen en gebieden staan op de kaart, van Tynaarlo tot
Rolde en van Oudemolen tot Spijkerboor.
Een eigen naam heeft dit gebied niet. Bestuurlijk ligt het in drie
gemeenten: Aa en Hunze, Tynaarlo en Assen.