Johan Picardt
1600-1670·predikant en de eerste geschiedschrijver van Drenthe·3 plekken

Van 1643 tot 1648 stond Johan Picardt op de kansel in Rolde. Zeventien jaar later verscheen het boek waarmee hij de eerste geschiedschrijver van Drenthe werd, en dat is de reden dat hij op deze kaart telkens opduikt: als iemand vóór 1800 iets over een plek hier heeft opgeschreven, is hij het meestal.
Hij werd in 1600 geboren in Bentheim, net over de grens, en was achtereenvolgens predikant in Egmond aan Zee (vanaf 1623), in Rolde (vanaf 1643) en in Coevorden, waar hij van 1648 tot zijn dood in 1670 bleef. In Rolde bediende hij zijn gemeente vanuit Rhee.
Het boek van 1660
In 1660 verscheen in Amsterdam zijn Korte Beschryvinge van eenige Vergetene en Verborgene Antiquiteten, met daarin de Annales Drenthiae – in een oplage van 125 exemplaren. Het is het eerste boek dat de oudheden van dit landschap beschrijft: de hunebedden, de grafheuvels, de veenlijken, de plaatsen waar volgens de overlevering recht werd gesproken.
Wat hij van die oudheden maakte, is een ander verhaal. Hunebedden konden volgens hem alleen door reuzen zijn opgestapeld, en zijn prenten tonen die reuzen ook, aan het werk met stenen die geen mens kon tillen. Dat is geen archeologie maar het wereldbeeld van zijn tijd, waarin de Bijbel en de klassieke schrijvers de maat gaven.

Waarom hij toch telt
Wat hij zag, zag hij onderweg naar zijn werk. Picardt woonde in Rhee, net buiten zijn eigen kerspelEen kerkdorp met de buurtschappen die erbij hoorden, en tegelijk een eenheid van bestuur.Alle begrippen – dat behalve Rolde ook Peelo, Loon, Anreep, Deurze, Balloo, Grolloo en Schoonloo omvatte. Om zijn kerk te bereiken moest hij de oude Koningsweg volgen, dwars door de celtic fieldEen prehistorisch akkersysteem van kleine, vierkante veldjes met lage wallen eromheen, als een honingraat. In Drenthe aangelegd vanaf de late bronstijd tot in de Romeinse tijd. Het Nederlandse woord is raatakker.Alle begrippen van Peelo-Kleuvenveld en Loon-Stoepveld. Na de oversteek van het Lonerdiep had hij de keuze: over de esDe hoge, gezamenlijke akker van een esdorp. De boeren hadden er elk hun eigen stroken, maar de es werd als geheel omheind. Door eeuwen bemesting met plaggen is de grond er dik en bol geworden.Alle begrippen van Balloo en door het dorp, of door het veld ten westen van de es, langs hunebed D16, door het grafheuvelveld van Kampsheide en door het grote grafheuvelveld ten zuiden van Balloo. Elke zondagsgang liep dwars door het materiaal van zijn eigen boek.
Dat is aan zijn hoofdstukken te zien. Hij behandelt de hunebedden, de "Oude Heydensche Leger-plaatsen en Wallen" – de celtic fields – de "ronde Berghjes of Heuveltjes", en de lange, smalle en platte begravingen. Van de celtic fields valt hem de regelmatige ruitvormige aanleg op; hij is om enkele heen gelopen die wel vierduizend treden in omtrek waren. Zijn beschrijving van een hunebed past zonder meer bij D16 van Balloo.
Het gelijk van Picardt
Bij die legerplaatsen hoort een verhaal dat drie eeuwen duurt, en het loopt goed voor hem af. Om te beginnen: legerplaats betekent hier geen legerkamp. Het woord is van dezelfde soort als hazeleger, de plek waar een haas ligt – een verblijfplaats. En zo bedoelde Picardt het ook. Hij zag in de akkertjes erven met op elk een hutje, en noemde ze "logementen, rustplaetsen en schuylhoeken", in zijn geval van "der oude vermaarde Sueven".
Twee eeuwen later wist men het beter. De Leidse archeoloog Janssen bracht de legerplaatsen in 1848 in verband met begrafenisplechtigheden – ze liggen immers vaak bij grafheuvels – en ontkende uitdrukkelijk elk verband met bewoning of met landbouw. Van Giffen citeerde Janssen in 1918 uitgebreid maar volgde hem niet: hij stond dichter bij Picardt en hield de akkertjes lange tijd vooral voor woonplaatsen. Alleen de Sueven liet hij vallen.
En sinds de opgravingen bij Hijken, tussen 1968 en 1973, is duidelijk dat in een celtic field de functies van akkerland én woonplaats gecombineerd zijn. Dat is niet Picardts hutje en het zijn niet zijn Sueven, maar zijn uitgangspunt – hier verbleven mensen, hier werd niet alleen begraven – houdt stand waar dat van de negentiende eeuw sneuvelde.
En één ding pleit sterker voor hem dan al zijn duidingen bij elkaar. Juist het feit dat hij die onopvallende lange bedden als een aparte categorie onderscheidt – laag, niet hoger dan een voet, netjes naast elkaar – laat zien dat hij nauwkeurig heeft waargenomen. Wie alleen reuzen ziet, ziet zoiets niet.
Juist omdat zijn verklaringen onhoudbaar zijn, is zijn beschríjving zo bruikbaar. Picardt zag het landschap van vóór de ontginningen: heidevelden waar nu bos staat, heuvels die later zijn geëgaliseerd, een kuil bij Balloo waarvan hij noteerde dat er zitplaatsen uit aarde in waren gevormd. Zulke waarnemingen zijn nergens anders bewaard.

Naast zijn ambt was hij ondernemer in de grond. Hij experimenteerde met het bewerken van woeste grond zonder mest en stichtte in het graafschap Bentheim de kolonie Alte Picardie – dezelfde drang om de heide productief te maken die twee eeuwen later het landschap van deze kaart zou omkeren.
Waar Picardt op deze kaart staat
De Balloërkuil, een gerechtsplaats die het misschien nooit wasOp de grens tussen de marken Balloo en Rolde ligt een laagte in het stuifzand, tussen de…
De Jacobuskerk van Rolde, waar de Etstoel het vaakst zatIn de kerk van Rolde kwam het hoogste rechtscollege van Drenthe bijeen.
Hunebed D17, in 1847 te koop aangebodenHunebedden D17 en D18 liggen pal achter de grote kerk in het centrum van Rolde, aan de…