Landschapssporen

Alle plekken

Deurze

15 plekken

Van alle esdorpen op deze kaart laat Deurze het duidelijkst zien hoe zo'n dorp in elkaar zit, en dat komt doordat er nooit iets overheen is gebouwd. Geen brink met boerderijen eromheen, maar een lint dat precies tussen twee landschappen door loopt: de Deurzeresch aan de oostkant, bijna vijftig hectare aaneengesloten bouwland, en aan de westkant het beekdal van het Deurzerdiep met zijn groenlanden. Akkers op de es, hooi in het dal, wonen op de strook ertussen – en op de jaarschuif van 1815 ligt die driedeling er nog gaaf bij.

De omgeving van Deurze op de topografische kaart van 1900
De omgeving van Deurze op de kaart van 1900 – topotijdreis, Kadaster. De kaartknop hieronder opent dezelfde omgeving met de jaarschuif.

Bekijk Deurze op de kaart →

Het dorp dat Assen meebetaalde

De eerste vermelding, curtem Durse in 1259, is meteen de belangrijkste transactie uit de geschiedenis van het dorp. In dat jaar keurde graaf Otto van Bentheim een ruil goed die de hof van Deurze met alles erop en eraan – de molen, de groenlanden, de wateren, de markegronden – aan het klooster Mariënkamp overdroeg. Dat klooster verhuisde juist in die jaren van Coevorden naar Assen, en de ruil maakte die verhuizing financieel mogelijk. De Drentse hoofdstad is dus mede uit dit boerderijlint betaald. Bij de opheffing van het klooster in 1601 telde het dorp vier erven met namen die op hun stichters teruggaan – Hovinge, Hilbollinge, Schuiringe en Wernsinge – en in 1832 waren het er zeven plus een herberg. Die herberg is er nog, als zalencentrum De Aanleg, en het weilandje ernaast heet op de kaart nog altijd het Aanlegbossie.

Deurze, een boerderijlint tussen de es en de beek
Foto: Collectie Rolder Historisch Gezelschap (RO010101091), via de beeldbank van het Drents Archief – Publiek domein · Deurze, een boerderijlint tussen de es en de beek →

Onder het dorp is nooit gegraven, maar de kern staat wel als archeologisch monument geregistreerd om wat er kán liggen; dat het er zit bleek in 1981 pal ten zuiden ervan, waar bij de aanleg van een ruiterpad aardewerk uit de IJzertijdca. 800 tot 12 v.Chr.Meer over deze periode bovenkwam.

Het raadsel in het beekdal

In het weiland aan de westkant van het Deurzerdiep ligt de vreemdste vorm van dit gebied: het Poepenhemeltje, een vierkante wal van ruwweg vijftien bij twintig meter, met de hoeken naar de windrichtingen gedraaid en één opening waar een pad doorheen loopt. Op de grond is het een bosje; op het local relief model is het een van de scherpste vormen van het hele kaartvlak, met een wal die er minstens 55 centimeter boven het land uitsteekt.

Het Poepenhemeltje, een vierkant grondwerk in het beekdal
Foto: Willemjans – CC BY-SA 3.0 nl · Het Poepenhemeltje, een vierkant grondwerk in het beekdal →

Wat het is, weet niemand zeker – er liggen drie lezingen naast elkaar. Een schans van Bommen Berend uit 1672, op zijn tocht naar Groningen, zegt het informatiebord; een schansje van een van zijn generaals uit 1665, houdt Het Drentse Landschap het op; een tuinhuis van het landgoed Vredeveld, zegt een lezing die zich op de kadastrale kaart van 1830 beroept. De naam kiest wel partij maar bewijst niets: "poepen" was een Drentse scheldnaam voor Duitsers, een "hemeltje" een klein beschut plekje. Het Kadaster kent het perceel nog altijd als bosgebied met de naam Schans. Wie het wil beslechten, komt er met kaarten niet – dat vraagt een schop en een archeoloog.

Wat er verdween voordat iemand keek

Niet alles wat weg is, is met een aankoop verdwenen. Op het Nijlanderveld stonden volgens kaarten van omstreeks 1900 en volgens omwonenden nog grafheuvels; hoeveel het er waren en uit welke tijd ze stamden is nooit vastgesteld, en ze zijn er niet meer. Wat er bij het ontginnen wél bovenkwam waren urnen met kringgreppels – smalle ronde sloten om een graf, het laatste restant van een lage heuvel – en in 1948 deed het Biologisch-Archeologisch Instituut er noodonderzoek. Dat woord zegt genoeg: niet gegraven uit nieuwsgierigheid, maar omdat er iets aan het verdwijnen was en er haast bij kwam. Op de kaart van 1900 ligt hier nog heide met houtwallen; op het hoogtebeeld is het geploegd land met perceelsloten, en van heuvels noch urnenveld is iets terug te zien.

Hankeloo: een naam die het hoogtemodel verklaart

Net ten oosten van Deurze ligt een veldnaam van honderdvierendertig hectare: het Hankeloo, een van de grootste veldnaamgebieden uit de collectie-Wieringa en een van de laatste namen in dit gebied waarin nog een loo zit – een bosweide. Het bos is er niet meer; de naam wel.

Waar die naam vandaan komt, is uitgezocht op een manier die op deze kaart bekend voorkomt. De bodemkaart tekent een beekarm dwars door het Hankeloo, en hank wordt in rivierengebieden vaak gebruikt voor een afgesloten beek- of rivierarm. Maar die beek zou dan door het hóógste punt van het gebied moeten lopen, en boringen ter plekke leverden geen beekeerdgrond op maar een slecht ontwikkelde veldpodzol. De kaart heeft zich hier waarschijnlijk vergist.

De andere verklaring past wel. In het Middelnederlands hoort hank bij heup of schenkel: het gebogen deel van een boog. En op het hoogtemodel liggen hier twee dekzandkoppen, waarvan de zuidelijke een kromme uitloper heeft. De naam slaat dus vermoedelijk niet op water maar op een vorm in het zand – een vorm die je op de kaart nog gewoon kunt zien, terwijl het bos dat er stond al eeuwen weg is.

Waar het Hankeloo precies lag is hier niet als plek aangegeven, want een coördinaat staat in geen enkele registratie: veldnamen als deze bestaan alleen in de collectie-Wieringa in het Drents Archief.

Er zit nog een tweede verdwenen naam in hetzelfde veld. Het langgerekte ontginningsblok dat op de topografische kaarten van 1850 en 1900 tussen Eldersloo en Anrijp ligt – ons Nijlanderveld – heet bij Wieringa Langeloo: het lange stuk nabij het loo. De naam wijst dus terug naar het Hankeloo dat er toen al niet meer was. Op de Franse kaarten van 1812 en het kadaster van 1832 is het hele gebied heide, en dat is precies wat er van een bosweide overblijft: de beweiding vanuit Deurze, Eldersloo en Nijlande stelde weinig voor – samen een handvol boerderijen – maar op deze arme grond was weinig genoeg om het bos langzaam te laten degraderen tot heide. Twee namen, één bos, en geen van beide staat nog ergens op een kaart.

Het gehucht dat verdween

Tussen Deurze en Assen lag een nederzetting die het niet heeft gered. Amelte was een esgehucht uit de Vroege middeleeuwen450 tot 1050Meer over deze periode, vanaf 1402 in de stukken, met in de zeventiende eeuw nog twee boeren – de Olde Jan en de Jonge Jan 't Amelde. Het einde kwam niet door verval maar door aankoop: in 1817 kocht Petrus Hofstede, gouverneur van Drenthe, het huis Vredeveld en daarmee ook de erven en markegronden van Amelte. Een groot deel werd ontgonnen en bebost. De archeologische monumentenkaart registreert er bewoningssporen uit de vroege én Late middeleeuwen1050 tot 1500Meer over deze periode, met eromheen grafheuvels uit de IJzertijdca. 800 tot 12 v.Chr.Meer over deze periode en de sporen van een celtic field – hier werd dus al duizenden jaren gewoond voordat het gehucht zijn naam kreeg, en er woont nu niemand meer. Wie de hoogtekaart aanzet ziet wat een verdwenen nederzetting achterlaat: bijna niets.

Bekijk Deurze op de kaart →

Alle plekken in Deurze