Landschapssporen

Personen

Albert Egges van Giffen

1884-1973·archeoloog·45 plekken

Van Giffen met twee grondwerkers bij de opgraving van het Romeinse castellum in Valkenburg, tussen 1941 en 1943. Hij is de man links, met hoed en de tekeningen in de hand. Buiten dit kaartvlak, maar het is de enige goede opname waarop hij zelf in het veld staat.
Van Giffen met twee grondwerkers bij de opgraving van het Romeinse castellum in Valkenburg, tussen 1941 en 1943. Hij is de man links, met hoed en de tekeningen in de hand. Buiten dit kaartvlak, maar het is de enige goede opname waarop hij zelf in het veld staat. · Beeld: Rijksmuseum van Oudheden – CC BY 3.0 nl

Geen naam komt op deze kaart zo vaak terug als de zijne. Albert Egges van Giffen groef hier hunebedden uit, karteerde grafheuvelvelden, legde urnenvelden bloot en zette de methode op papier waarmee dat sindsdien gebeurt. Wie op deze site een grafheuvel aanklikt, leest meestal een zin die op zijn werk teruggaat.

Hij werd in 1884 geboren in Noordhorn en studeerde in Groningen biologie – plant- en dierkunde, van 1904 tot 1910. Dat is geen omweg maar de kern van zijn latere werk: hij bleef het landschap lezen als een bioloog, met de bodem, de pollen en het hout als getuigen naast de scherven. Van 1912 tot 1917 was hij conservator bij het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden – een dienstverband dat eindigde in ruzie: na een conflict met de directie moest hij Leiden in 1916 verlaten, en in afwachting van zijn ontslag daar en een toegezegde aanstelling in Groningen kreeg hij verlof om voor de Vereniging voor Terpenonderzoek te graven. In 1920 richtte hij in Groningen het Biologisch-Archaeologisch Instituut op, waarvan hij in 1928 formeel directeur werd. In 1939 werd hij buitengewoon hoogleraar in Groningen, in 1943 gewoon hoogleraar, en in 1947 de eerste directeur van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek.

Uit niets tot iets

Het begon zonder instituut en zonder personeel. Zijn eerste tekenaars-opzichters waren twee geïnterneerde Belgen, A. van Dinter en J. Verdonckt: Nederland was buiten de Eerste Wereldoorlog gebleven en had geallieerde militairen binnen zijn grenzen, en Van Giffen kreeg toestemming hen als werkkrachten in te zetten. Ze werkten in 1917 bij de wierde van Wierhuizen en bij Zeijen, en in 1918 bij de hunebedden van Havelte, Emmen, Exloo en Bronneger; de genie leende hem een hoofdofficierstent en de Terpenvereniging haar meetapparatuur. Na de wapenstilstand van 11 november 1918 gingen ze naar huis en moest hij zich behelpen.

Van Giffen omstreeks 1935, halverwege zijn loopbaan. Het is de enige portretopname van hem die vrij te gebruiken is, en ze is klein: driehonderd pixels breed.
Van Giffen omstreeks 1935, halverwege zijn loopbaan. Het is de enige portretopname van hem die vrij te gebruiken is, en ze is klein: driehonderd pixels breed. · Beeld: Fotograaf onbekend, via De verhalen van Groningen – Publiek domein

Pas per 1 januari 1920 kreeg hij een eigen budget, wat personeel en een deel van het voormalige postkantoor aan de Poststraat, dat hij als instituut mocht inrichten. Wat hem voor ogen stond staat in het concept van een sollicitatiebrief-antwoord van 5 maart 1920: "Ik heb te besturen een nieuw Instituut: Archaolog. Biolog. Die inrichting moet geheel uit niets tot iets worden." De man die hij zocht moest tekenen, fotograferen, restaureren, waterpassen, museumobjecten opstellen en "in alles en tegenover allen mijn rechterhand & plaatsvervanger" zijn. Het nieuw ingerichte instituut ging op 17 juni 1922 feestelijk open.

Onder studenten leverde dat hem geen naam op. Een van hen beschreef hem rond 1920 als "slechts een schimmige figuur, hij werkte in een eigen Instituut, en het enige wat wij wisten dat hij van daaruit terpen en hunebedden afreisde en pijlpunten opgroef; niemand kende hem. Hij gaf ook geen college." De onderejaars biologen staakten er zelfs om, omdat door zijn aanstelling het geld voor een assistent ontbrak.

De kwadrantenmethode

Zijn grootste bijdrage staat op deze kaart bij elke opgegraven heuvel. Vóór hem groeven onderzoekers een smalle sleuf door een grafheuvel, haalden eruit wat glansde en lieten de rest voor wat het was. Van Giffen deelde de heuvel in vier kwadranten, liet daartussen wallen staan en groef de kwadranten laag voor laag af tot in de ongeroerde grond. In de staande wanden is de opbouw als een doorsnede te lezen, en die doorsnede is te koppelen aan wat je in het vlak ziet liggen. Zo werd een grafheuvel een gelaagd document in plaats van een vindplaats van voorwerpen – en zo bleek in 1933 op het Balloërveld dat ten minste drie van de door hem onderzochte heuvels tot in het Laat-neolithicumca. 2800 tot 1900 v.Chr., de enkelgraf- en klokbekercultuurMeer over deze periode teruggingen.

Zijn beroemdste opgravingen liggen buiten dit kaartvlak: de terp van Ezinge tussen 1931 en 1934, het Noordse Veld bij Zeijen vanaf 1917, en tussen 1941 en 1943 de Romeinse castella bij Valkenburg. Maar het gebied van deze kaart was zijn achtertuin.

Hunebed D13 bij Eext
Foto: Collectie Drents Museum (DM3202455), via de beeldbank van het Drents Archief, opname Albert Egges van Giffen – Publiek domein · Hunebed D13 bij Eext →

Wat hij hier deed

Zijn nederzettingsonderzoek in Drenthe begon hier, en op een bijzondere plaats: in 1921 op de brink van Schipborg. Waterbolk stelde bij zijn heranalyse van Van Giffens kleinere opgravingen vast dat dat de eerste in Drenthe was waarbij hij echte huisresten aantrof – en meteen ook de eerste keer dat hij op een rooster van grote vierkante kuilen stuitte, een verschijnsel dat honderd jaar later nog steeds niet is uitgelegd.

In 1927 groef hij de Eexter grafkelder op, hunebed D13, en vond bij diezelfde campagne twee verdwenen grafkamers terug aan het granietgruis dat achterblijft als je een zwerfsteen stukslaat. In 1933 karteerde hij op het Balloërveld achtendertig grafheuvels en onderzocht er vijfentwintig, waaronder de Galgenberg, waar twee ringsloten en een latere bijzetting tevoorschijn kwamen. In 1937 lag hij bij Gasteren in het urnenveld op het Overdijksveld dat bij een ontginning was blootgelegd. En zo verder, van Rolde tot Schipborg.

Wat er ná zijn pensionering in 1955 gebeurde, is op deze kaart nog altijd te zien, al herkent bijna niemand het als zijn werk. Het ministerie maakte hem toen rijksinspecteur voor de bescherming en instandhouding van de hunebedden, en in die rol beijverde hij zich om de beschermde terreinen uit te breiden en van beplanting te voorzien. De eiken die nu bij de Drentse hunebedden staan zijn op zijn advies geplant, en uit de documentatie van zijn instituut blijkt dat dat geen incidentele bevlieging was maar beleid. Leg dat naast zijn eigen foto van D12 uit 1918, waarop het hunebed in een landschap met opvallend weinig bomen ligt, en de kringloop is rond: het "typisch Drentse" bosbeeld waarin je een hunebed vandaag bezoekt, is voor een deel door de monumentenzorg aangeplant.

Dat werk heeft een keerzijde die op deze kaart ook zichtbaar is. Wat hij opgroef, is opgegraven: een onderzochte heuvel is een gelezen document, maar het origineel is weg. En van sommige van zijn eigen ingrepen weten we nu bijna niets meer – van de tumuli 25 en 26 op het Balloërveld staat in het register alleen dat ze "in of voor 1933" zijn onderzocht, zonder één detail.

De drie die het mogelijk maakten

Van Giffen groef niet alleen. Zijn opgravingen leunden op een vast driemanschap, en Harm Tjalling Waterbolk – zijn opvolger – heeft dat in 2007 nog eens opgeschreven, in een herinnering aan de laatst overlevende van de drie. Er was voorgraver Jan Lanting, een boerenzoon uit Zeijen, in de wandeling grote Jan, die het veldwerk deed; hij werd aangesteld op 1 juli 1920. Er was tekenaar Lambertus Postema, wiens hand in vrijwel elke publicatie uit die jaren zichtbaar is; hij kwam op 17 juni 1922, de dag van de opening, in dienst als opvolger van Jan Derksen Staats, en stierf in 1940. En er was Jan Dijkstra, kleine Jan, die het gebouw aan de Poststraat bijna nooit verliet.

Dijkstra kwam er in 1922 in dienst, vijftien jaar oud, in het jaar dat het Biologisch-Archaeologisch Instituut een eigen gebouw kreeg; toen hij in 1972 met pensioen ging had hij vijftig dienstjaren vol. Hij deed de financiën, de administratie en het beheer, hij typte de manuscripten uit die Van Giffen concipieerde, hij ontwikkelde de negatieven van de opgravingsfoto's en plakte ze in de gebonden albums die nog altijd worden gebruikt. Hij is een enkele keer mee het veld in geweest, en dat kreeg geen vervolg – zijn plaats was binnen. Van de financiële onregelmatigheden waarvan hij op de hoogte was heeft hij nooit iets losgelaten: hij was in ieder opzicht Van Giffens vertrouwensman.

Waterbolk vat het samen op een manier die ook voor deze kaart geldt: zonder een solide en effectieve basis op het instituut hadden Van Giffen en zijn veldmedewerkers hun vleugels nooit zo ver kunnen uitslaan. Wat hier in het veld ligt opgegraven, is thuis gearchiveerd door iemand die er zelf niet bij was. Dijkstra stierf op 20 maart 2006, bijna negenennegentig jaar oud, als laatste levende lid van het drietal.

Wat hij in een celtic field zag, en wanneer hij van gedachten veranderde

De celtic fields op deze kaart lees je grotendeels zoals hij ze heeft leren lezen – ook waar hij het bij het verkeerde eind had. Hij noemde ze zijn leven lang legerplaatsen, het oude Nederlandse woord, en gebruikte de Engelse term celtic field vrijwel nooit.

In 1918 zag hij die legerplaatsen vooral als woonplaatsen, dichter bij Picardt dan bij de Leidse archeoloog Janssen, die er een begrafenisgebruik in zag. Vanaf 1935 en 1936 ruimt hij meer plaats in voor het akkerland, en in 1940 staat hij op zijn scherpst: in de legerplaatsen mogen we "naast woonplaatsen ook oud akkerland" zien. Naast. In 1943 en 1944 is die nuance weg en is een legerplaats voor hem "niets anders dan een oud bouwlandencomplex, een protohistorische esch".

En daar zit de wrange kant. Sinds de opgravingen bij Hijken, tussen 1968 en 1973, geldt juist zijn tussenstand van 1940 als de beste beschrijving: akker én woonplaats tegelijk. Hij liet die los in de jaren dat het Rijksmuseum van Oudheden, onder Bursch, in het celtic field bij het Wekeromse Zand vijf plattegronden van grote gebouwen blootlegde – het bewijs dat hij nodig had. Die opgraving is door de oorlog niet gepubliceerd, en de twee mannen onderhielden geen betrekkingen.

Eén publicatie wordt hem bovendien ten onrechte toegeschreven. Het bericht *Prehistoric fields in Holland* in Antiquity uit 1928 is jarenlang aangehaald als bewijs dat hij toen al aan akkers dacht, maar uit de correspondentie die op zijn eigen instituut bewaard is gebleven blijkt dat de redacteur van dat blad, O.G.S. Crawford, het schreef. Van Giffen had hem een overzichtstekening van het Noordse Veld gestuurd met de vraag wat hij ervan vond; Crawford herkende er onmiddellijk een celtic field in en vroeg of hij het nieuws mocht publiceren. Van Giffen ging akkoord en vulde het concept aan, maar noemde later Crawford als de auteur.

De man

Zijn levensbeschrijving noemt zijn "tomeloze energie en een krachtige persoonlijkheid", en in dezelfde adem dat hij het gezag na 1945 slecht kon delen met jongere archeologen. Hij was een ruziemaker met een instituut om zich heen. Zijn wetenschappelijke motto stond daar dwars op: "Die Tatsachen bleiben, die Interpretation schwankt" – de feiten blijven, de uitleg wankelt. Precies dat onderscheid maakt zijn opgravingsverslagen nog steeds bruikbaar. En het is meteen de maat waarlangs zijn eigen werk wordt gelegd: bij D12 op de Kampakkers liet hij in 1952 de plaatsen van veronderstelde verdwenen stenen met betonnen plombes markeren, en daarmee is daar niet een feit maar een uitleg vereeuwigd – een die sinds 2013 wordt betwist.

Hij stierf in 1973 in Zwolle. Zijn uitvaart werd gehouden bij de Steenkistheuvel bij Diever, een grafheuvel die hij in 1929 zelf had opgegraven, en hij ligt begraven op de begraafplaats aan de Groningerweg daar. In dit kaartvlak staat geen monument voor hem; bij hunebed De Papeloze Kerk bij Schoonoord zit zijn portret in brons in een steen, met daaronder: Drenthe's grote archaeoloog.

Waar Van Giffen op deze kaart staat