Landschapssporen

Hunzedal

Bonnerklap, waar de Hunze een verlaat en een skelet uit de ijzertijd prijsgaf

Plek met een verhaal·Later gebruik

Ten westen van Gieterveen, een paar honderd meter ten zuiden van de N33, slingert de Hunze weer in bochten door het land. Het waterschap groef in 2014 de oude meanders van de Bonnerklap opnieuw uit, tot zo'n vier meter diep, en dempte een deel van de gekanaliseerde rivier. Archeologen van MUG keken mee. In een van hun twaalf werkputten stuitten ze op delen van een verlaat, een sluis die de rivier bevaarbaar hield voor de turfschepen naar Groningen.

Het bleken er twee, in elkaars verlengde. Een kaart uit 1663 tekent ze op deze plek al in. In 1661 kocht hopman Tjassens, een Groninger die in Gieten woonde, 'Jan Ottens stouwe', volgens het rapport waarschijnlijk ditzelfde verlaat. Maar de jongste balk van het oudste verlaat, Verlaat I, is in de herfst of winter van 1669 gekapt. Er moet dus een voorganger zijn geweest. Die is niet gevonden.

Tussen 1730 en 1740 kwam er direct oostelijk een nieuw verlaat, binnenwerks 4,5 meter breed en 8 meter lang, op eiken heipalen tussen grenen damwanden. De balken van de fundering dragen telmerken. Het hout is op een werf pasklaar gemaakt en hier in elkaar gezet.

Het nieuwe verlaat moest diepere schepen doorlaten, en nieuwe vracht. Rond 1730 vrat de paalworm de houten zeeweringen in het westen aan, en de dijken van West-Friesland werden versterkt met stenen van de Hondsrug. Ook die gingen over de Hunze. Een plakkaat van 1734 klaagde dat er markstenen werden verkocht en weggehaald, 'ja selfs ook van de sogenaamde Hunebedden'. Het verbod dat volgde werd grotendeels genegeerd. Bij het graafwerk kwamen bakenloden en peilloden uit West-Friesland boven, en een tabaksdoos uit Amsterdam. Tussen 13 september 1737 en 1 mei 1738 voeren er 311 turfschepen de Hunze af.

De kadastrale kaart van 1811–1832 tekent het verlaat nog, latere kaarten niet. Vermoedelijk is toen alleen gesloopt wat boven de grond stak. De fundering bleef zitten. Na de opgraving haalde de aannemer ook die weg.

In de zeventiende en achttiende eeuw was de Hunze hier niet dieper dan zo'n 1,5 meter. Op die diepte lag, zo'n 330 meter stroomopwaarts in een verlande meander, een skelet. Bij het afgraven kwam de schedel boven. Met de hand legden de archeologen daarna een vrijwel compleet skelet bloot. Het lag op verspoeld zand met veen en takjes, waarschijnlijk de oude oever, en was door het water een beetje uit verband geraakt. Metaal lag er niet bij. Een koolstofdatering zette het in de Vroege ijzertijd800 tot 500 v.Chr.Meer over deze periode, tussen 795 en 560 voor Chr.

Het skelet is van een man. Hij was rond de 39 jaar, ongeveer 1,68 meter lang en mogelijk linkshandig. Zo'n honderdzestig meter ten westen van het verlaat lag in de oude beekbodem aardewerk uit dezelfde periode, met rijen aangepunte palen en veldkeien, misschien beschoeiingen of visplaatsen. Lang gold het Hunzedal in de IJzertijdca. 800 tot 12 v.Chr.Meer over deze periode als een ondoordringbaar veenmoeras. Volgens het rapport werd de rivier intensiever gebruikt dan gedacht, al lagen de nederzettingen waarschijnlijk op de hogere zandgronden.

Sporen van geweld ontbreken. Hoe de man in de rivier terechtkwam, kan het rapport niet zeggen. Het houdt een bewuste, rituele depositie open, maar ook een ongeluk, of een man die onwel werd, stierf en in het moeras verdween.

Bekijk deze plek op de kaart →

Op de achtergrond: de luchtfoto van deze plek (PDOK).

Gegevens

Ligging
53.03704, 6.82337
Gebied
Hunzedal
Zekerheid van de ligging
hoog

Bronnen