Landschapssporen

De tijdlijn

IJzertijd

Periode·ca. 800 tot 12 v.Chr.·43 plekken

De IJzertijdca. 800 tot 12 v.Chr. duurde van ongeveer 800 tot 12 v.Chr. en wordt in drie fasen verdeeld: vroeg (800–500), midden (500–250) en laat (250–12 v.Chr.). Het tijdvak dankt zijn naam aan het ruimere gebruik van ijzer, hoewel ijzeren voorwerpen in Drenthe juist zeer schaars zijn. Van het maken ervan ligt hier wél iets: bij Terborgh onder Anloo kwamen in 1992 ijzertijdscherven en ijzerslakken samen uit de stenenhopen langs de bosrand – al zegt de registratie er niet bij uit welke eeuw die slakken komen. Het Geheugen van Drenthe merkt op dat begin en eind van de ijzertijd zwak vertegenwoordigd zijn en dat de overgang van vroege naar Midden-ijzertijd500 tot 250 v.Chr. opvallend vondstrijk is.

Op deze kaart is dit de periode die het beste in het reliëf te zien is. In aantal plekken komt hij na het Neolithicumca. 5325 tot 1900 v.Chr.Meer over deze periode en de Bronstijd1900 tot 800 v.Chr.Meer over deze periode, maar díe twee dank je aan graven en hunebedden; hier gaat het om akkers en grafvelden die je op de hoogtekaart als patroon herkent.

Celtic field bij Anloo
Foto: Bert van As – CC BY-SA 4.0 · Celtic field bij Anloo →

Celtic fields: akkers met walletjes

Een celtic field is een raatakker: kleine akkers, van elkaar gescheiden door lage aarden walletjes, samen een dambordpatroon over tientallen hectares. Ze horen niet alleen bij deze periode: de aanleg begint in de Late bronstijd1200 tot 800 v.Chr.Meer over deze periode en het gebruik loopt door tot in de vroeg-Romeinse tijd, samen zo'n dertien eeuwen.

De Nederlandse naam was eeuwenlang een andere, en die veroorzaakt een misverstand. Deze complexen heetten hier legerplaatsen, en het woord leger heeft daarin niets met soldaten te maken – het is hetzelfde leger als in hazeleger, de plek waar een haas ligt. Een legerplaats is een verblijfplaats. Wie de term als kampement leest, gaat op zoek naar iets wat er nooit was; wie hem leest zoals hij bedoeld is, leest precies wat Picardt in 1660 en Van Giffen tot ver in de twintigste eeuw in deze akkertjes zagen: een plek waar mensen verbleven. Van Giffen bleef zijn leven lang legerplaats schrijven en gebruikte het Engelse celtic field vrijwel nooit.

En onder de walletjes zit iets wat het reliëfbeeld niet laat zien: de akkers zijn ouder dan de randen eromheen. Bij Van Giffens onderzoek op het Noordse Veld bij Zeijen in 1937 bleek onder de wallen overal een vrij dikke laag cultuuraarde te liggen. Zijn conclusie was dat de wallen secundair zijn ten opzichte van het oude bouwland eronder: er is eerst geakkerd, en de randen kwamen daarna. Datzelfde onderzoek legde een compleet perkje bloot, walletjes en al, en vond relatief veel paalgaten – maar alleen in de stroken ónder de wallen, en zonder herkenbare plattegrond van een gebouw.

Hoe zo'n dambord groeit, beschreef Van Giffen in 1944 als samengroeiing. Uit groepjes van enkele aaneensluitende akkertjes ontstonden op den duur de uitgestrekte complexen, en die kernen zijn er soms nog aan te herkennen: de onregelmatige perkjes zijn de ruimten die tussen twee kernen zijn overgeschoten. Wie op het hoogtebeeld een scheve hoek in een verder net raster ziet, kijkt volgens die lezing naar een naad.

Het Tumulibos, waar honderdvijftig grafheuvels stonden
Foto: Collectie Drents Museum (DM35020114), via de beeldbank van het Drents Archief – Publiek domein · Het Tumulibos, waar honderdvijftig grafheuvels stonden →

Er staan er zeven op deze kaart: bij Anloo in het Strubben-Kniphorstbos, bij Balloo, bij Gieten, bij de Kromme Dijk bij Eext waar twaalf hectare akker is gekarteerd, het complex dat in 1968 op luchtfoto's werd ontdekt, een zesde bij de camping van Anloo en een zevende bij Anderen, vijfhonderd bij tweehonderdvijftig meter groot. Dat complex van 1968 is typerend voor deze vondstsoort: die walletjes zijn zo laag dat je ze op de grond niet ziet, maar van bovenaf – op een luchtfoto of op het local relief model – springen ze eruit.

Dat van Anderen laat zien hoe zo'n vondst hard wordt: de monumentenkaart vond het op luchtfoto's, de gemeentelijke inventarisatie van 2014 vond het terug in het reliëf, en Jager trok er onafhankelijk daarvan zijn begrenzing omheen.

Het complex bij de camping is juist de uitzondering die laat zien hoe kwetsbaar ze zijn. Het terrein bij de camping is tussen 1940 en 1955 ontgonnen en sindsdien geploegd, en van de walletjes is in het reliëf niets meer terug te vinden – het staat alleen nog in de registratie.

Brandheuvels, en waarom het er zoveel zijn

Het tweede spoor uit deze periode zijn de grafheuvels, en dan vooral de brandheuvels: lage heuvels van soms maar tien tot twintig centimeter hoog. In het Zwanemeerbos tussen Eext en Gieten liggen er drieënveertig in drie groepen – zesentwintig, elf en zes bij de Vijzelkampen – en het onderzoek wees uit dat het overwegend brandheuvels uit de IJzertijdca. 800 tot 12 v.Chr. zijn.

Het opmerkelijke daaraan is hoe laat ze zijn gevonden: de twee grote groepen pas in het najaar van 1993. Precies dat is het bereik waarvoor het reliëfmodel op deze site bestaat.

In het Tumulibos worden de meeste heuvels ook als brandheuvels uit de IJzertijdca. 800 tot 12 v.Chr. beschouwd, en de Stakenberg op het Balloërveld staat als zo'n heuvel beschreven.

Urnenvelden

Bij Gasteren liggen twee plekken uit deze periode naast elkaar. Het urnenveld in het Overdijksveld hoort bij een grafvorm die vooral in de Late bronstijd1200 tot 800 v.Chr.Meer over deze periode en Vroege ijzertijd800 tot 500 v.Chr. gebruikelijk was, ongeveer tussen 1100 en 500 v.Chr. Het grafveld van Gasteren zelf bleef vijftien eeuwen in gebruik – van een heuvel uit de late bronstijd tot brandheuvels aan de zuidkant die in de Romeinse tijd12 v.Chr. tot ca. 450 na Chr.Meer over deze periode doorlopen. Eenentwintig potten uit het begin van die reeks zijn bij een opgraving geborgen.

En de nederzettingen

Die zijn er ook, al zijn ze schaarser. Onder de dorpskern van Gieten kwamen bij een opgraving achter een boerderij aan de Asserstraat aardewerkscherven uit de IJzertijdca. 800 tot 12 v.Chr. en de Romeinse tijd12 v.Chr. tot ca. 450 na Chr.Meer over deze periode boven, met greppels en donkere verkleuringen – de eerste prehistorische sporen zó dicht bij het centrum. Bij Deurze werd in 1981 bij de aanleg van een ruiterpad aardewerk uit de ijzertijd gevonden, en bij Amelte liggen grafheuvels uit de Late ijzertijd250 tot 12 v.Chr. naast de resten van een celtic field.

Op het Nijlanderveld bij Deurze staat het verband met de akkers het scherpst. Drie karteringen leverden daar tussen 1981 en 1995 scherven van de akker op, IJzertijdca. 800 tot 12 v.Chr. en Romeinse tijd12 v.Chr. tot ca. 450 na Chr.Meer over deze periode door elkaar, en driehonderdvijfenveertig meter verderop ligt een gekarteerde raatakker. Wie zulke walletjes opwierp, woonde ergens – en dat was niet ver van zijn land.

En aan de Bosweg bij Anloo ligt het grootste vermoeden. Op een terrein van ruim drie hectare vermoedt de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek een grote nederzetting, en rond 1950 kwamen daar de resten van een rijk graf uit de IJzertijdca. 800 tot 12 v.Chr. boven. Wat dat graf rijk maakte staat nergens: het woord staat kaal in de registratie, zonder inventaris.

Begraven volgt het wonen, maar zoekt de oude graven op

Op deze kaart staan een paar urnenvelden en een paar nederzettingen, en of die twee soorten plekken iets met elkaar te maken hebben is een vraag die je met een handvol punten niet kunt beantwoorden. Met vierennegentig urnenvelden en tweeëndertig nederzettingen wél, en dat is voor heel Drenthe gedaan.

Wat hetzelfde is: allebei liggen ze op relatief vlakke, hoge plekken, meestal met een zuidelijke oriëntatie, en allebei hoofdzakelijk op droge, leemrijke grond.

Wat verschilt: nederzettingen liggen droger en nooit op leemarme grond, en vaker op dekzandruggen. Urnenvelden liggen vaker op nattere, leemarmere bodems en vooral op grondmorenes, met keileem in de ondergrond waardoor het water minder makkelijk wegloopt. De verklaring is nuchter: vruchtbare grond doet ertoe voor een akker, niet voor een graf.

En dan het verschil dat er echt toe doet. Van alle bronstijdgrafheuvels in dat onderzoek ligt zesentachtig procent binnen twee kilometer van een urnenveld en achtentwintig procent binnen tweehonderd meter; bij nederzettingen is dat vierendertig en twee procent. Bij hunebedden is het nog scherper: negenentachtig procent ligt binnen twee kilometer van een urnenveld, en geen enkele nederzetting heeft een hunebed binnen tweehonderd meter. Wie een plek zocht om te wonen, keek naar ontwatering en naar wat de omgeving opbracht; wie een plek zocht om te begraven, keek daar ook naar – begraven volgt het wonen – maar zocht daarbovenop de nabijheid van de graven die er al eeuwen lagen.

Voor deze kaart betekent dat iets voor hoe je naar een urnenveld kijkt. Het ligt niet zomaar bij een nederzetting in de buurt: het ligt bij de heuvels van de voorgangers.

Wat een raatakker aan een gezin kostte

De celtic fields zijn op deze kaart zeven plekken, maar in het stroomgebied van de Drentsche Aa zijn er ongeveer twintig aanwijsbaar. Hun wallen zijn nog het best te zien op het Ballooërveld, bij Kampsheide en in het Evertsbos – overal waar de ploeg ze niet heeft gladgestreken.

Wat die twintig complexen betekenen wordt pas duidelijk als je ze deelt door de mensen die ervan leefden. De akkertjes zijn twintig tot veertig meter in het vierkant, en volgens de landschapsbiografie van de Drentsche Aa had één gezin er zo'n vijfentwintig van nodig. Dat is de reden dat een raatakkercomplex zo uitgestrekt is: niet omdat er veel mensen woonden, maar omdat één huishouden een dambord van een paar hectare bezet hield. Je hoefde ze bovendien niet allemaal tegelijk te gebruiken – een deel lag braak, en dat is precies waarom het systeem eeuwen kon doorlopen op grond die snel uitgeput raakt.

En dan lopen ze weg

Aan het eind van deze periode gebeurt er iets waar deze kaart alleen de lege kant van laat zien. Vanaf de zesde eeuw v.Chr. trekt een deel van de bevolking weg uit Drenthe, naar de kwelders van het noordelijke kustgebied – de landschapsbiografie noemt het een exodus. De opgeworpen wierden daar zijn uit diezelfde eeuwen.

Voor dit gebied betekent het een terugval waarvan je op de kaart de sporen mist in plaats van vindt: velden die uit gebruik raken, grafvelden die dunner worden. Dat de celtic fields hier tóch doorlopen tot in de vroeg-Romeinse tijd, zoals de registraties bij Balloo en bij de Kromme Dijk zeggen, is dus geen vanzelfsprekendheid maar het bewijs dat er is doorgeboerd door wie bleef.

Wat je moet aanzetten

Voor deze periode is de kaart zelf het gereedschap. Zet het local relief model aan bij een van de celtic fields en zoek het dambord; zet het aan in het Zwanemeerbos en zoek de lage bulten tussen de boswallen. Wat je op de grond niet ziet, staat hier in de hoogtemeting.

Plekken uit de IJzertijd op de kaart

Alle plekken per dorp en gebied →