Federmessercultuur
Cultuur·ca. 11.900 tot 10.900 v.Chr., het Allerød-interstadiaal·binnen het Paleolithicum·4 plekken
Federmesser is Duits voor pennenmes, en zo ziet het werktuig eruit waar deze cultuur naar heet: een smal spitsje met een gebogen rug. In het Nederlands heet datzelfde ding een Tjongerspits, en vroeger heette de hele cultuur daarom de Tjongercultuur. Dat is geen detail voor de liefhebber, maar praktische kennis: de Archeologische Monumentenkaart schrijft "Tjonger" waar het Geheugen van Drenthe "Federmesser" schrijft, en zonder dat je dat weet vind je de helft van de vindplaatsen niet terug.
Korte, brede krabbers horen er even goed bij. De cultuur valt vrijwel samen met het Allerød-interstadiaal, 11.900 tot 10.900 v.Chr. – een warmere onderbreking vlak voor het eind van de laatste ijstijd.
Geen rendierjagers
Het warmere klimaat verklaart waarop er werd gejaagd. Het rendier was met de kou meegetrokken; wat overbleef was wild dat in bos thuishoort en niet wegtrekt – edelhert, eland, zwijn, en daarnaast vogels en klein spul. Standwild vraagt een andere jacht dan een kudde, en dus ook een ander soort kamp.
De rendierjagers waren de oudere Hamburgcultuurca. 12.600 tot 11.900 v.Chr.Meer over deze periode, die op deze kaart één eigen vindplaats heeft in het Strubben-Kniphorstbos.
Vier vindplaatsen, en waarom het er zo weinig zijn
Aan deze cultuur zijn in Noord-Nederland enkele honderden vuursteenvindplaatsen toegeschreven, en ze liggen het dichtst op de dekzandruggen en zandkopjes langs het Hunzedal. De inventarisatie die RAAP in 1993 van dat dal maakte – de bron onder verschillende van deze plekken – zegt het scherper: de grote dichtheid aan laat-paleolithische vindplaatsen daar is "opvallend en uniek voor ons land". Dit kaartvlak ligt er middenin, en toch dragen maar vier plekken het label. Dat zegt minder over wat er lag dan over wat er te vinden is. Een jagerskamp laat geen gebouw achter, alleen vuursteen in de bouwvoor, en dat komt pas boven als iemand er gericht naar zoekt.
Wat de vier gemeen hebben is niet hun vondst maar wat het ploegen bij hen heeft tegengehouden, en dat is bij elk iets anders. Bij de Hiltophoeve is het veen: de zandrug dook eronder weg, en het booronderzoek trof er zelfs de E-horizont nog aan – de laag waarover die jagers hebben gelopen. Op Exterkoele is het het bos: waar geploegd is, is het profiel tot op het gele zand verdwenen, en waar bomen staan is het gaaf gebleven, tot in een konijnenpijp aan toe. Bij het Kreushaarveen is het de natte laagte zelf: één boring haalde er bijna drie meter veen op, en de vondstenreeks van dat terrein begint met een Tjongerspits.
De vierde ligt bij Bonnerveen, en die draait het om. Daar heeft het veen de vondsten niet afgeschermd maar gekleurd. Praktisch alle vuursteen van dat terrein is bruin gepatineerd doordat er ijzer in is getrokken toen er nog veen overheen lag en het regenwater dat ijzer naar beneden spoelde. Het veen is er inmiddels af. De kleur is gebleven, en daarmee draagt de steen zelf de herinnering aan een landschap dat verder nergens meer te zien is.
Gave vindplaatsen uit deze periode zijn zeldzaam. Op deze kaart hangt hun waarde dus niet af van wat er is gevonden, maar van wat er toevallig niet is omgeploegd.
Plekken van de Federmessercultuur op de kaart
- De Hiltophoeve: een gaaf kampement uit de oude steentijdOp een dekzandrug bij Nieuw-Annerveen, onder een dun veenlaagje, ligt het loopvlak waarover…
- De vuursteen die bruin werd van het veenOp de zuidpunt van een dekzandrug aan de Hunze, ten westen van Bonnerveen, ligt een vindplaats…
- Exterkoele: drie vuursteenvindplaatsen op één dekzandrugOp een dekzandrug ten oosten van Eext liggen binnen 150 meter drie afzonderlijk geregistreerde…
- Het KreushaarveenTen zuidwesten van Eext, in het verlengde van een oud beekdal waar nu de bovenloop van het…