Landschapssporen

De tijdlijn

Hamburgcultuur

Cultuur·ca. 12.600 tot 11.900 v.Chr.·binnen het Paleolithicum·2 plekken

De Hamburgcultuurca. 12.600 tot 11.900 v.Chr. is de eerste cultuur die na een lange periode van extreme koude in onze streken opduikt. Het Geheugen van Drenthe dateert haar op ongeveer 12.600 tot 11.900 v.Chr. en noemt haar naar vindplaatsen in het Ahrensburger-Tunneldal bij Hamburg; het verspreidingsgebied loopt van Zuid-Scandinavië en Polen tot Noord-Duitsland en Noord-Nederland.

Dit zijn de rendierjagers. Dat is geen bijnaam maar het onderscheid dat deze cultuur van de volgende scheidt: het landschap was nog open en koud, en het wild dat er leefde trok in kudden. In de oudste fase domineren kerf- of schouderspitsen, later vooral lange gesteelde spitsen. De jongste fase heet de Havelter-fase, naar een paar vindplaatsen bij Havelte die door een amateur-archeoloog zijn ontdekt.

Het enige archeologische reservaat van Nederland
Foto: Collectie Drents Museum (DM0201070701), via de beeldbank van het Drents Archief – Publiek domein · Het enige archeologische reservaat van Nederland →

Twee plekken op deze kaart

In dit kaartvlak dragen twee plekken de Hamburgcultuurca. 12.600 tot 11.900 v.Chr.. De eerste is het beschermde terrein aan de Schipborgerweg in het Strubben-Kniphorstbos. Dat terrein draagt sporen uit elke periode van het Laat-paleolithicumca. 30.000 tot 11.000 jaar geledenMeer over deze periode tot de Midden-bronstijd1575 tot 1200 v.Chr.Meer over deze periode, en de Hamburg-laag is er de onderste van – opgeraapt, stuk voor stuk, door amateurs die er jarenlang liepen.

En dan het zinnetje dat er in 1986 bij is geschreven en dat alles zegt: er was op dat terrein wel geploegd, maar de Hamburg-vindplaats zelf leek vrijwel ongestoord. Voor iets van 14.000 jaar oud, in een landschap waar sindsdien onafgebroken is geboerd, is dat uitzonderlijk.

De tweede plek is het kamp in de Gasselterdennen bij Gieten, aan de Rendierjagerweg. Daar is gegraven, en daarom staat het hieronder centraal.

Wat we van deze mensen weten

Hoe de rendierjagers leefden, weten we uit hun kampen. Marcel Niekus telt er in het Drentsche Aa-gebied zestien, de meeste vlak bij een beekdal en enkele aan de rand van een pingoruïneEen ronde laagte, soms met een lage wal eromheen. Het is wat over is van een heuvel met een kern van ijs uit de laatste ijstijd: toen het ijs smolt, zakte de heuvel in. Vaak staat er water in of is hij met veen gevuld.Alle begrippen. Drie daarvan zijn opgegraven, en die laten vooral zien hoe klein zo'n kamp was. In de Gasselterdennen, aan de rand van het Gasselterveld, in 1942 ontdekt door de amateur J. Luinge en in augustus van datzelfde jaar door hem en zijn broer opgegraven, in opdracht van Van Giffen, lagen ruim 900 stukken vuursteen op 50 vierkante meter, waarvan zo'n tachtig werktuigen. Bij Sassenhein onder Haren had de vondstconcentratie een doorsnede van hooguit 10 meter.

Sassenhein levert ook het enige stukje huiselijkheid. Tussen de vondsten lagen enkele tientallen platte zandstenen, een deel met brandsporen, en net als de verbrande vuursteen lagen ze vooral in het midden van de concentratie. Dat is een haardplaats. Of er een tent omheen stond of dat het vuur in de open lucht brandde, is niet meer vast te stellen; daarvoor had de vindplaats ongestoord moeten zijn, en dat was hij niet. Er kwamen ook tien vuurmakers uit de grond.

Waar ze van leefden is beter te beredeneren dan te bewijzen. In dit zand blijft geen bot bewaard, hooguit houtskool en bij hoge uitzondering een verbrand splintertje. Uit het Tunneldal bij Hamburg, waar dat wel kan, komen botten van rendier, paard, poolvos en sneeuwhaas, en daar is ook gevist. Het rendier leverde meer dan vlees. Huiden werden kleding, en bot en gewei werden gereedschap. Twee werktuigtypen uit deze cultuur wijzen daar rechtstreeks naar. Met de krombeksteker werden lange spanen uit een gewei gekerfd, voor naalden en harpoenen. Met de brede klingschrabber werd een huid schoongekrabd voor ze tot kleding werd gemaakt.

Waarom twee plekken toch een pagina waard zijn

Deze cultuur staat hier vooral omdat ze het contrast levert waarmee de volgende te begrijpen is. De Federmessercultuurca. 11.900 tot 10.900 v.Chr.Meer over deze periode die de Hamburgcultuurca. 12.600 tot 11.900 v.Chr. opvolgt, jaagde niet meer op rendieren maar op standwild in een bebost landschap: edelhert, eland en wild zwijn. Het rendier verdween uit onze streken toen het warmer werd.

Dat verschil is één keer eerder op deze kaart misgegaan. Bij de Hiltophoeve stond een tijdlang dat daar rendierjagers vuursteen hadden achtergelaten, terwijl dat een Federmesser-vindplaats is – een cultuur die duizend jaar later leefde, in een ander klimaat, achter ander wild. Het onderscheid dat op deze pagina staat is dus geen archeologische fijnzinnigheid: het is precies het onderscheid dat je nodig hebt om de vindplaatsen langs de Hunze goed te lezen.

Wie de rendierjagers op deze kaart wil opzoeken, moet dus niet in het Hunzedal kijken maar in het bos tussen Anloo en Schipborg, of in de Gasselterdennen bij Gieten.

Alle plekken per dorp en gebied →