Landschapssporen

Personen

Johannes van Lier

1726-1799·ontvanger-generaal van Drenthe en oudheidkundige·7 plekken

Van Lier in 1772, geschilderd door Wibrand Veltman – twaalf jaar na de Oudheidkundige Brieven en dertien jaar voor zijn vlucht naar Kleef.
Van Lier in 1772, geschilderd door Wibrand Veltman – twaalf jaar na de Oudheidkundige Brieven en dertien jaar voor zijn vlucht naar Kleef. · Beeld: Wibrand Veltman – Public domain

In 1756 haalde een stenendelver bij Eext de grafkelder onder de heuvel open en beschadigde hem. Johannes van Lier, ontvanger-generaal van Drenthe, herstelde het monument namens de overheid, onderzocht wat er in de kamer lag en publiceerde vier jaar later wat hij had gezien. Daarmee is hij de eerste die op deze kaart iets deed wat we nu archeologie zouden noemen.

Hij werd in 1726 in Rotterdam geboren, studeerde van 1743 tot 1748 rechten in Leiden en vestigde zich in 1750 in Zuidlaren. In 1758 werd hij ontvanger-generaal van Drenthe, de man die het gewestelijke belastinggeld inde en afdroeg.

De Oudheidkundige Brieven

Zijn Oudheidkundige Brieven verschenen in 1760: de eerste monografie over één Nederlands hunebed, en wetenschappelijk bij de tijd. Hij beschreef de bodemopbouw, de vondsten – "veele urnae en steene beitels" – en de trap van vier treden die vanaf de top van de heuvel naar de grafkamer voert en waaraan het trapgraf zijn naam dankt. Waar Picardt honderd jaar eerder nog reuzen zag, keek Van Lier naar lagen en voorwerpen.

Bij het boek hoort een prent, en die is voor deze kaart een vondst op zichzelf. Hij toont de opengelegde kelder, en op de achtergrond staat het dorpslandschap genummerd: bij nummer 1 "De Molen van het Boerschap Eext", de standerdmolen die in 1833 zou afbranden, en verderop de torens van "Burger" en "Rolden". Het is de oudste afbeelding die we van die molen hebben.

De eerste molen van Eext, aan de weg naar Rolde
Foto: Johannes van Lier, Plaat I uit de Oudheidkundige Brieven (1760) – Publiek domein · De eerste molen van Eext, aan de weg naar Rolde →

De val

Zijn belangstelling was breder dan de oudheid: in 1781 verscheen van zijn hand een verhandeling over de slangen en adders die in Drenthe voorkomen. Maar zijn ambt liep slecht af. In 1785 bleek hij de openbare gelden niet te kunnen afdragen; de schuld liep op tot ongeveer honderdveertigduizend gulden. Hij vluchtte naar Kleef en is daar in 1799 gestorven.

Dat de eerste hunebedmonografie van Nederland door een gevluchte ontvanger-generaal is geschreven, staat in geen enkele registratie bij het monument. Op de kaart is het andersom: zonder zijn prent en zijn beschrijving zou van de grafkelder van Eext veel minder bekend zijn dan nu.