Landschapssporen

Eext

Hunebed D12 op de Kampakkers

Hunebed·Prehistorie

Hunebed D12 op de Kampakkers
D12 op de Kampakkers, 20 mei 2018. De fotograaf gaf geen coördinaat; de titel noemt het hunebed bij name. De licentie staat geen bewerkingen toe, dus het beeld is alleen verkleind naar 960 pixels, niet bijgesneden; naamsvermelding verplicht en niet-commercieel. https://www.flickr.com/photos/jrubels/42192183832/ · Foto: Jan R. Ubels (Flickr) – CC BY-NC-ND 4.0

Op de Kampakkers bij Eext ligt hunebed D12, het derde van het dorp en het meest gehavende. Er zijn nog drie dekstenen, drie zijstenen en één sluitsteen over. Ook in de vakliteratuur is het monument niet meer op te meten: Bakker geeft voor elk Nederlands hunebed het aantal draagsteenparen en de inwendige kamerlengte, maar bij D12 laat hij die kolommen leeg – net als bij D9 in Annen, het enige andere van de dertien op deze kaart waar dat gebeurt. Beide zijn in 1952 door Van Giffen opgegraven en herbouwd. Aan de zuidkant rusten de dekstenen nog op hun zijstenen; aan de noordkant liggen ze op de grond, omdat de dragende stenen daar ontbreken. De registratie dateert het graf in het Neolithicumca. 5325 tot 1900 v.Chr.Meer over deze periode en schrijft het toe aan de Trechterbekercultuur4000 tot 2700 v.Chr.Meer over deze periode, de bouwers van alle hunebedden in Drenthe.

Wát D12 precies is, daar zijn archeologen het niet over eens: een dolmen, met de ingang aan een van de korte zijden, of een ganggraf zoals vrijwel alle andere Nederlandse hunebedden. Willem Donker laat de vraag in het midden maar vindt dat J.N. Lanting overtuigend heeft aangetoond dat het geen dolmen is. Bakker nam D12 in 1992 op grond van Van Giffens hunebeddossiers op in zijn reeks Nederlandse ganggraven. Daartegenover staat een voorstel uit 2013 van Daan Raemaekers en Sander Jansen, dat geen nieuwe opgraving is maar een herlezing van de oude: een papieren opgraving, noemen zij het. Volgens hen is D12 juist wél een dolmen. Het label 'ganggraf' is er in 1952 aan gehangen. D12 was van oorsprong al een klein hunebed, en door het verdwijnen van draagstenen is de constructie verder opengevallen.

D12 in 1918, vóór de restauratie. Wat de foto vooral laat zien is het ruige terrein dat Van Giffen beschreef: de stenen gaan half schuil in het struikgewas aan de voet van twee scheefgewaaide bomen, met bouwland erachter.
D12 in 1918, vóór de restauratie. Wat de foto vooral laat zien is het ruige terrein dat Van Giffen beschreef: de stenen gaan half schuil in het struikgewas aan de voet van twee scheefgewaaide bomen, met bouwland erachter. · Beeld: Collectie Drents Archief (DA3041207), opname Albert Egges van Giffen – Publiek domein

Toen archeoloog Albert Egges van Giffen het in 1918 beschreef, was het terrein met ruigte begroeid. Tegen de kelder stonden twee eiken, en verder de stronken van een vlier en een lijsterbes. Hij waarschuwde dat bomen en struiken de inhoud van de kelder schaadden. Het hunebed zat toen tot aan de dekstenen in de grond. Van Giffen zag een ovale omtrek en dacht aan een ingang aan de zuidwestkant, "doch zekerheid bestaat hier omtrent niet". Hij hield het zelfs voor mogelijk dat het graf tamelijk ongeschonden was, als er onder de dekstenen aan de west- en noordkant nog draagstenen verborgen zaten. De markgenoten van Eext hadden het op 15 oktober 1872 aan de provincie geschonken.

Hoe dat label ontstond, is uit de documentatie af te leiden. Van Giffen kreeg in 1917 van Binnenlandse Zaken de opdracht de toestand van de Nederlandse hunebedden te beschrijven, en in de woorden die hij voor D12 koos – sluitsteen, dekstenen, zijstenen – zit de aanname al: dit is één uiteinde van een ganggraf. In 1952 groef hij in het verlengde van de resterende stenen. Dat werk heette een restauratie, al zou een bodemverstoring als deze vandaag waarschijnlijk niet onder die vlag mogen. Hij trof grondverkleuringen aan en las die als standsporen: "stenen zijn er niet meer gevonden, maar wel de standsporen van de zijstenen Zw, Zw' en Zx', de sluitsteen Sl. 1 en de westelijke poortsteen P1… Dit hunebed heeft dus 4 paar zijstenen, 2 sluitstenen en 2 poortstenen gehad."

Vier dingen pleiten tegen het label 'ganggraf', en Van Giffen beschreef ze zelf al. Dezelfde laag die op de vlaktekening een standspoor heet, is op de profieltekening opgetekend als "losse grond", dus als recent verrommelde grond. Een schetsje in de hoek van de veldtekening laat zien dat de veronderstelde stenen slecht aansluiten op de stenen die er nog staan. Bij de opgraving is geen enkel vondstmateriaal verzameld. En er ontbreekt elk spoor van de keien die de vloer van een grafkamer konden vormen. Zijn die dan allemaal meegenomen? Waarschijnlijker, zeggen de auteurs, is dat er in 1952 helemaal niet in de grafkamer is gegraven. Zet je tegenover de drie overgebleven zijstenen drie andere, dan vormen die met de sluitsteen een U – en dat is de vorm van een dolmen, met de ingang aan de korte zijde en zonder poort in de lange. Dat Van Giffen daar niet op kwam is een gebrek aan vergelijkingsmateriaal: in 1952 lag de dichtstbijzijnde dolmen honderdvijftig kilometer verderop. Pas in 1982 kwam er onder de wierde Heveskesklooster een hunebed tevoorschijn dat er wel een bleek, met hetzelfde aantal stenen als D12, een vergelijkbaar formaat en zelfs een vergelijkbare oriëntatie. Twee sterrenkundigen van het Kapteyn Instituut in Groningen maten de kamers van de Nederlandse hunebedden met kompas en hellingmeter op, en kwamen in hun artikel uit 2003 voor D12 uit op 146 graden, naar het zuidoosten. Van de hunebedden op deze kaart die zij maten, wijkt geen enkel verder van het oosten af. Wel waarschuwen ze zelf dat restauraties zulke metingen kunnen vertekenen.

De plaatsen van verdwenen stenen markeerde hij met kleine cementen plombes, en die markeringen zijn inmiddels zelf onder het maaiveld weggezakt. Het verval heeft hier dus twee lagen. Ook het herstelwerk dat de oorspronkelijke vorm zichtbaar moest houden, verdwijnt uit zicht.

De grafkamer zelf is nooit onderzocht, en mogelijk was daar in 1952 ook weinig meer te halen. De oudste vermelding van D12 staat namelijk al bij Johannes van Lier in 1760, in zijn boek over D13: hij noemt een kraagflesje "gevonden in een Huinebed 400 schreeden ten Noorden van den Grafkelder". D12 ligt ruim vierhonderd meter ten noordwesten van D13, dus als die verwijzing klopt – en dat wordt doorgaans aangenomen, met een ruime opvatting van kompas en pas – dan was de kamer in de achttiende eeuw al opengelegd. Het flesje zelf, ruim vier duim hoog, was toen in handen van "de Hoog Welgeb. Heer Alberda tot Vennebroek". Via omwegen kwam het in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden terecht. Van Giffen haalt Van Lier nog voor iets anders aan. In dit steengraf waren "tusschen geplaveide vloeren, urnen in omgekeerden stand" gevonden. Ook de voorwerpen die Pleyte en Van Lier afbeeldden, laten volgens Van Giffen zien dat er in de kamer gegraven is.

Er zit bovendien iets op D12 dat op maar één ander hunebed van deze kaart voorkomt. In een van de dekstenen, van graniet, is een rij van vijf cupmarks aangebracht: kleine ronde kuiltjes, uitgeklopt met een steen. Vlak ernaast liggen er nog twee, die ooit een tweede rij kunnen hebben gevormd die is weggesleten, of die nooit is afgemaakt; de twee rijen lijken evenwijdig te lopen. Wie ze maakte en wanneer weet niemand. Het andere hunebed met zulke kuiltjes is D16 bij Balloo, ruim acht kilometer naar het westen.

In 1952 werd D12 onderzocht en hersteld, en daarna bleef het een bescheiden monument tussen de weilanden van de Eexter Es. Er kwam nog één ingreep overheen. In de jaren tachtig werd besloten de resten in de grafkamers te beschermen tegen schatgraverij, en bij D12 gebeurde dat als eerste: de dekstenen eraf, de bouwvoor afgegraven en onderzocht, de ondergrond met betonblokken afgesloten, de dekstenen terug. Het beton ligt inmiddels onzichtbaar onder gras. Van de dekstenen weet je daardoor dat ze niet liggen waar het landijs of de bouwers ze lieten, maar waar ze in 1984 zijn teruggelegd. Wie goed naar de stenen kijkt ziet bovendien felgele korstmossen: de grove geelkorst gebruikt de hunebedstenen als stabiele ondergrond en geeft kleur aan het verweerde gesteente.

Bekijk deze plek op de kaart →

Deze plek is stap 1 van 6 in de verhaallijn Van Giffen graaft. Lees de hele lijn.

Op de achtergrond: de luchtfoto van deze plek (PDOK).

Gegevens

Ligging
53.01483, 6.72355
Gebied
Eext
Cultuur
Trechterbekercultuur
Zekerheid van de ligging
hoog

In de buurt

  1. De brand van 1939In de zomer van 1939 brandde de boerderij van Jan Mennega aan de Anderenseweg af; de motorspuit uit Annen kwam te laat om meer te doen dan nablussen.310 m
  2. De KampakkersOp de Kampakkers bij Eext liggen een celtic field, neolithische bewoning, grafheuvels en hunebed D12 over elkaar heen op één akker.370 m
  3. Grafheuvels KampakkersOp de Kampakkers bij Eext lagen ooit ongeveer tien grafheuvels in één groep; vijf daarvan zijn nu nog herkenbaar.420 m
  4. Hunebed D13D13 aan de westkant van Eext is een trapgraf: een zeldzaam type, en het trapje naar de grafkamer verdween al kort na 1768.450 m
  5. Stationsstraat 24Het erf van Stationsstraat 24 in Eext gaat terug tot 1630; een van de bewoners, Jan Homan, was Ette van Drenthe.510 m
  6. Eerste molenAan de weg van Eext naar Rolde stond een standerdmolen die Van Lier in 1760 tekende; in maart 1833 brandde hij in één nacht af.670 m
  7. ≈ SchoolplaatEext werd twee keer een schoolplaat van J.B. Wolters, getekend door Bernardus Bueninck; de jongste heet 'Een gezicht in Eext', uit 1919.690 m
  8. Kerkstraat 26Kerkstraat 26 in Eext: zes keer achter elkaar dezelfde familie in de haardstedenregisters, en een herbouw in 1709 die de basisregistratie bevestigt.720 m
  9. De brand van 1869In de nacht van 6 december 1869 brandde het huis van burgemeester Braams af; het dorp collecteerde f 81,05 voor zijn dienstboden.760 m
  10. ZwerfkeiEen zwerfkei van ruim twee meter aan de Kerkstraat, uitzonderlijk omdat stenenroders in de negentiende eeuw juist de grote keien uit de akkers haalden.770 m

Hemelsbreed gemeten, van dichtbij naar ver. Verschuif de band naar rechts voor de volgende.