Hunebed D14 bij Eexterhalte, en de deksteen die een halve eeuw verkeerd om lag
Hunebed·Prehistorie

Aan de zuidkant van Eext ligt hunebed D14. Met 18 meter is het een van de langste van Nederland. Zes dekstenen liggen er nog. Eén daarvan heeft ruim 50 jaar verkeerd om gelegen. Dat werd pas in 2016 opgemerkt.
De naam Eexterhalte is jonger dan het monument, en zelfs jonger dan het spoor waar hij naar verwijst. Lang heette het hunebed naar Eext of naar Gieten. Van Giffen noemde het in 1925 nog 'het z.g.n. Gieter hunebed'. De spoorhalte die hier in 1905 openging, gebruikte hij alleen als wegwijzer. Het graf lag een kwart kilometer ten noordoosten ervan, bij de driesprong van de wegen van Rolde naar Zuidlaren en naar Gieten. In hetzelfde boek ruimde hij een tweede groot hunebed op dat alleen op papier bestond. Westendorp noemde er een 'bij den Eextermolen', en in de brieven van prins Radzivil aan Camper uit 1789 staan onder Eext twee grote hunebedden. Volgens Van Giffen ging het steeds om D14. Westendorp had de beschrijving van Van Lier overgeschreven, en de twee platen bij Radzivil tonen hetzelfde graf uit twee richtingen.
Rond de grafkamer lag ooit een lange heuvel, met een rij stenen eromheen. Zo'n monument heet een langgraf. Die naam is omstreden, want hij zegt iets over de stenen rand en niets over het graf dat erbinnen ligt. Willem Donker wil de term afschaffen. Onder de heuvel ligt een ganggraf, met negen paar draagstenen en een grafkamer van bijna zestien meter. De steenkrans eromheen is ovaal. Volgens Bakker (1992) hebben maar weinig Nederlandse ganggraven zo'n krans. De registratie noemt het neolithisch en van de Trechterbekercultuur4000 tot 2700 v.Chr.Meer over deze periode, en bij een kartering in 1955 zijn op hetzelfde terrein sporen uit die tijd gevonden.
De stenen liggen hier dus meer dan 5000 jaar. Ze lagen al in het landschap, meegevoerd en achtergelaten door het landijs. D14 is ouder dan de piramiden van Gizeh en minstens zo oud als de oudste bouwfasen van Stonehenge.

Naast de zes dekstenen staan er achttien zijstenen en twee sluitstenen. Verder zijn er drie poortzijstenen en acht stenen van de oorspronkelijke steenkrans. De ingang had twee paar poortzijstenen, en daarvan zijn er drie over. In een paar stenen zitten boorgaten. Iemand heeft geprobeerd ze op te blazen en te splijten, waarschijnlijk om het materiaal te gebruiken voor wegen of dijkversterking. Kolen (2005) rekent D14 tot de zes hunebedden met regelmatige rijen gaten, door steendelvers met beitels ingehakt om er wiggen in te drijven. Hij ziet ze als spoor van ontmanteling, mogelijk al in de Middeleeuwenca. 450 tot 1500Meer over deze periode. Volgens overlevering zijn er stenen van D14 naar de kerk of het kerkhof van Gieten gebracht.
Sinds 1871 is het hunebed van de provincie Drenthe. De boermarke van Eext schonk het dat jaar. Daarna is er vaak aan gewerkt. In 1927 groef Van Giffen het op, even grondig als D28 bij Buinen. Van Buinen verscheen een verslag, van D14 nooit. Ook het aardewerk dat hij vond, onder meer op het voorplein ten zuiden van de ingang, was in 1985 nog niet gepubliceerd. De oudste scherven horen volgens Jager bij de trechterbekerfasen Drouwen B en C. Kolen (2005) denkt, met Bakker, dat de scherven voor de ingang niet uit het graf komen. Het zou goed aardewerk zijn dat bij herhaalde plechtigheden daar kapot is gegooid. Na het onderzoek en de restauratie van 1927 volgden ingrepen in 1960, 1965 en 1966. Een deksteen aan de oostkant rustte lang op een gemetselde pilaar. Eind 1996 kwamen daar roestvrijstalen pennen voor in de plaats.
Er kwam hier ook iets veel jongers uit de grond. Volgens Van Lier vond een jongeheer in 1750 een zilveren Romeinse munt in een urn, dertig centimeter diep, tegen de buitenkant van een van de kransstenen aan de westkant. Het voorwerp is nooit teruggezien. Een recensent van Westendorps verhandeling uit 1815 merkte al op dat de munt het hunebed niet dateert. De munt zegt alleen dat het graf ouder is. Bakker vroeg zich in 1992 af of Van Lier niet een verzonnen verhaal was verteld, omdat interessante vondsten beter verkochten. Verzonnen of niet, het past in een reeks. De andere Romeinse munten uit deze streek staan op deze kaart bij Balloo en op de Noordesch van Anloo.
In april 2019 raakte een grote deksteen van zijn plaats. Hoe, weet niemand. Of hij eraf viel of werd geduwd is nooit opgehelderd. Begin 2021 onderzocht de TU Delft het hunebed met technieken die zo nog niet eerder bij een hunebed waren gebruikt. Geofysische metingen brachten in beeld hoe diep de stenen zitten en hoe groot ze zijn. Met lidar is elke steen apart in drie dimensies vastgelegd, en ook de hardheid, de structuur en het draagvermogen zijn onderzocht.

Daarmee komt een lastige vraag op tafel. Naar welke situatie herstel je? Naar die van vóór 2019, naar de opgraving van 1927, of naar iets wat lijkt op de vorm van vijfduizend jaar geleden? Een hunebed staat niet stil. Het verandert door verlies, herstel en nieuwe ingrepen.
Hier is die vraag geen theorie. De steen die in 2019 losraakte heet D9 in de nummering van Van Giffen. Het is de meest oostelijke deksteen, met een lage korte kant en een hoge bolle kant. Hij lag al meer dan vijftig jaar verkeerd om.
Wijnand van der Sanden zag dat in 2016. Het Fries Museum had hem gevraagd welk hunebed er op een tekening van Lawrence Alma-Tadema staat. Het was D14, gezien vanuit het noorden. Van der Sanden plaatst de tekening in de zomer van 1871, het jaar waarin de boermarke het hunebed aan de provincie schonk. De vrouw op zijsteen Z6 is dan waarschijnlijk Laura Theresa Epps, de kersverse tweede echtgenote van de schilder. Ze trouwden op 29 juli 1871 en bleven daarna een maand in Nederland. Dat ze toen het hunebed tussen Rolde en Gieten aandeden, houdt hij voor goed mogelijk. Op de tekening ligt D9 met zijn lage kant naar het noorden. Sinds 1996 lag hij er andersom bij.
De tekening zelf verraadt die datum niet. Alma-Tadema zette er geen jaartal op, en op de ondergrond staat "Early c. 1863 before 1860". Het antwoord zit in de stenen. Op oudere afbeeldingen steekt het hunebed nog half in zijn heuvel, en bij Alma-Tadema zijn de zijstenen goed te zien. Tussen die twee momenten ligt de opknapbeurt van 1871.
Die opknapbeurt ging snel. Op 30 juni kreeg de provincie het hunebed, en er werd meteen gewerkt. Op 15 juli schreef de burgemeester van Anloo aan de Commissaris van de Koning: "De hunebedden te Eext en Schipborg zijn in orde en zien er door de paaltjes en planeering netjes uit." Met planeering wordt vrijwel zeker bedoeld dat de resten van de dekheuvel zijn geëgaliseerd. Er kwam ook een greppel om het terrein. Netjes was het niet. Bij dat werk verdween het laatste stuk dekheuvel, en er kwamen veel vondsten boven, tot buiten de ingang aan toe. Afgaande op de zijstenen lijkt Alma-Tadema dus de situatie van ná 15 juli 1871 te tekenen. Klopt dat, dan is de vrouw op de steen niet zijn eerste vrouw maar zijn tweede.
Hij was niet de enige Londenaar die zomer. Augustus Wollaston Franks van het British Museum stond er in dezelfde maand, met een tekenaar die volgens het Algemeen Handelsblad "alle urnen en steenen voorwerpen" vastlegde. Franks werd later een fel criticus van de Drentse opknapwoede. De tekening van Alma-Tadema ligt nu in Birmingham, in de Cadbury Research Library van de universiteit, tussen de honderdzestig portefeuilles die in 1915 uit de nalatenschap zijn verkocht.
Het beeldarchief bevestigt de stand. De oudste bekende tekening van D14, van Cornelis van Noorde uit 1756, laat dezelfde ligging zien. Petrus Camper tekende het op 1 mei 1768 en kwam op 27 mei 1769 terug om zijn tekeningen te controleren. Uit dat tweede bezoek zijn twee schetsen bekend. Het aanzicht van Leonardt Janssen uit 1847 ook, net als de opmetingen van het Engelse duo Lukis en Dryden uit 1878 en de ansichtkaarten van rond 1880 tot 1900. Willem de Wilde legde tussen 1904 en 1906 nog iets vast wat niemand anders zag. D9 rustte behalve op zijn twee draagstenen ook op de oostelijke sluitsteen. Daarmee was hij Van Giffen twintig jaar voor.
De jaarverslagen laten zien wat er daarna gebeurde. In 1957 lag D9 in tweeën gebroken in de grafkamer. In 1958 bleek ook zijn buurman gevallen. Waarschijnlijk vandalisme, net als in 2019. Jarenlang werd aangedrongen op herplaatsing. In 1965 zette Van Giffen de gelijmde steen terug op een sokkel van opgemetselde veldstenen. Wat hij niet opschreef is dat hij de steen daarbij honderdtachtig graden had gedraaid.
Waarom hij dat deed is te reconstrueren, en onredelijk was het niet. Een steen die met mortel is gelijmd, is verzwakt en heeft extra steun nodig. In de oude stand raakte D9 de sluitsteen maar op één klein vlak. Het draaien had wel een gevolg. De hoge sluitsteen zat de gedraaide deksteen in de weg en is daarom voorover gekanteld. Die sluitsteen had tot dat moment onaangeroerd op zijn oorspronkelijke plaats gelegen. Zo'n steen is het enige harde houvast dat een hunebed nog heeft, en juist die is toen verzet. Dat bleef nog langer onopgemerkt dan de gedraaide deksteen zelf.
In 1996 werd de ontsierende sokkel weggehaald en D9 teruggelegd met zijn lage kant naar het zuiden, want zo lag hij er nu eenmaal bij. Daarmee werd de fout van 1965 ongemerkt voortgezet. Van 1996 tot zijn val in april 2019 rustte de steen alleen nog op zijn twee draagstenen. Sindsdien ligt hij in de grafkamer.
Theo ten Anscher heeft dit uitgezocht en op een rij gezet. Zijn hoofdstuk 'Van der Sanden en de verdraaide steen' staat in 'Overpeinzingen op een vuilnisbelt', de bundel die Van der Sanden kreeg bij zijn afscheid als conservator van het Drents Museum. Van der Sanden trok er zelf een les uit. Aan een hunebedrestauratie hoort grondig bureauonderzoek vooraf te gaan, met zoveel mogelijk oude afbeeldingen erbij. Kan dat niet, dan kun je beter niet restaureren. Twee eeuwen tekeningen, foto's en ansichtkaarten wisten hier meer dan de stenen zelf.
Bekijk deze plek op de kaart →
Deze plek is stap 3 van 6 in de verhaallijn Wat je ziet, is opnieuw gemaakt. Lees de hele lijn.
Op de achtergrond: de luchtfoto van deze plek (PDOK).
Gegevens
- Ligging
- 53.00171, 6.73061
- Gebied
- Eext
- Cultuur
- Trechterbekercultuur
- Zekerheid van de ligging
- hoog
In de buurt
- Pingo StationsstraatDeze pingoruïne aan de Stationsstraat was eerst schapenwasplaats en later de ijsbaan van Eext; de naam Schaopwas bleef.210 m
Stationsstraat 58Dit boerderijtje aan de zuidkant van Eext heeft gietijzeren kolommen en stalvensters: nieuwe industriële materialen in traditionele Drentse bouw.210 m
Ongeluk op de overwegOp 20 juli 1910 greep een extra trein op de onbewaakte overweg bij de halte Eext een tilbury met twee vrouwen uit Wildervank; één kwam om.230 m
EexterhalteEexterhalte is genoemd naar de stopplaats aan de lijn Assen-Gasselternijveen; het station, een stuk rails, de overwegborden en vier rijtuigen staan er nog.320 m- GletsjerkoelDe gletsjerkoel bij Eext is een pingoruïne van tachtig meter breed en drie meter diep, die door het dunne keileemdek heen prikt.380 m
- BoekweitenveenHet Boekweitenveen bij Eext is een veentje met greppels erdoorheen; rondom liggen vondsten van de midden-steentijd tot de middeleeuwen.580 m
Eerste molenAan de weg van Eext naar Rolde stond een standerdmolen die Van Lier in 1760 tekende; in maart 1833 brandde hij in één nacht af.980 m
Hunebed D13D13 aan de westkant van Eext is een trapgraf: een zeldzaam type, en het trapje naar de grafkamer verdween al kort na 1768.1,1 km- KreushaarveenHet Kreushaarveen bij Eext is een reeks natte laagtes waar vuursteen en aardewerk zijn gevonden, van de oude steentijd tot het late neolithicum.1,1 km
Hillig MeerNatuurbegraafplaats Hillig Meer bij Eext ligt tussen prehistorische grafheuvels: op de Hondsrug wordt al duizenden jaren begraven.1,2 km
Hemelsbreed gemeten, van dichtbij naar ver. Verschuif de band naar rechts voor de volgende.
Bronnen
- hunebednieuwscafe.nl – hunebed eext d14
- Dorpsmuseum De Kluis, Eext
- rtvdrenthe.nl
- DBNL, Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren
- provincie Drenthe
- hunebednieuwscafe.nl – de typologie van noordwest europese megalithische grafconstructies onder de loep genomen deel 5 het langgraf
- sidestone.com
- ugp.rug.nl (1)
- hunebeddeninfo.nl
- ugp.rug.nl (2)
- ugp.rug.nl (3)
- Wikipedia