Hunebed D13 bij Eext
Hunebed·Prehistorie

Hunebed D13, het tweede hunebed van Eext, ligt aan de westkant van het dorp op een hoge rug in het landschap: dezelfde droge route waar later karrensporen overheen liepen en waar ook grafheuvels werden aangelegd. Lang zat het graf verborgen onder zijn aarden heuvel. In 1736 stuitte een 'landman' er met een prikijzer op, en een deel van de stenen werd weggehaald, de drie dekstenen incluis. Naar het holle geluid dat de heuvel gaf toen het ijzer de stenen raakte, noemden sommigen hem een tijdlang de Stemberg. Meestal heet hij de Grafkelder.
In 1756 kwamen er opnieuw stenenzoekers, en toen greep Johannes van Lier in. Hij groef de grafkamer open, schreef dat hij er "veele urnae en steene beitels" had gevonden, en liet het graf herstellen. Zijn onderzoek was belangrijk omdat het liet zien dat hunebedden geen bouwwerken van reuzen waren, maar prehistorische grafmonumenten. Het boek dat hij er in 1760 over schreef geldt als de eerste monografie over een Nederlands hunebed. Van zijn onderzoek liet hij een prent maken, met een dorpsgezicht erbij. In de verte staat de eerste molen van Eext, de standerdmolen aan de weg naar Rolde die in 1833 afbrandde. De vondsten zelf raakten verspreid, over de verzamelingen van Van Lier, van Alberda tot Vennebroek en van stadhouder Willem V. Een hamerbijl eindigde in het British Museum.

D13 is een trapgraf. Dat type is zeldzaam tot ver buiten Nederland: van de bijna 4500 bewaarde megalithische monumenten in het hele trechterbekergebied staan er minder dan tien als trapgraf te boek. Willem Donker bezocht de Duitse voorbeelden en vond er geen enkel trapje meer dat hem overtuigde; in Denemarken en Polen kwam hij het type niet tegen. Daarmee blijft D13 over. Het graf ligt gedeeltelijk onder zijn zandheuvel verborgen; vanaf de top voerde een trap met vier treden naar de grafkamer, tussen wanden van keien. De drempelsteen vormde de vijfde tree. Zo staat het op de prent bij Van Lier, en op een tekening die Cornelis van Noorde op 26 mei 1756 maakte, een maand nadat de treden waren gevonden. Van de kamer zijn zes zijstenen en twee sluitstenen zichtbaar. Ze staan dicht aaneen, anders dan bij andere Nederlandse hunebedden, en hun binnenkanten zijn zo vlak dat Van Giffen ze in 1925 'soms zelfs als gepolijst' noemde. Alle kieren waren met stopstenen gedicht. Drie paar draagstenen dus, en een kamer van 3,2 meter; Bakker gaf in 1992 3,3 meter op. Van de dertien hunebedden op deze kaart is dit de kleinste. De heuvel eroverheen is jonger dan het graf: volgens J.N. Lanting stamt de top ervan, die ooit ook de dekstenen bedekte, uit de klokbekertijd – ruim duizend jaar nadat de trechterbekermensen de kamer bouwden. Het hunebed werd dus hergebruikt.
Het trapje ligt er niet meer. Kort na 1768 verdween het. In 1905 liet de burgemeester van Anloo er een nieuw aanleggen, met een pad naar de weg. Bij het werk kwamen urnscherven boven, die de burgemeester aan het museum in Assen verkocht. Hunebedkenner W.J. de Wilde stond op het trapje terwijl de werklieden nog bezig waren. Hij telde drie treden, zag hoe de mannen de bodem van de kamer bevloerden en die vloer aanstampten met een straatstamper, en ergerde zich aan "die malligheid". De jeugd, die hij er "vesting" had zien spelen, zou het volgens hem binnen een half jaar hebben weggetrapt. In 1908 was het opnieuw weg. De Wilde schreef later zelf dat het trapje in 1906 of 1907 was aangebracht, maar het museum registreerde de scherven als gevonden in september 1905. Van Giffen vond in 1927 de drempelsteen en twee treden terug in de deels dichtgeraakte grafkamer. Door die combinatie van heuvel, trap en grafkamer ziet het er anders uit dan de meeste Nederlandse hunebedden. Toen de boermarke van Eext de hunebedden in 1871 aan de provincie schonk, sprak de akte over "de hunebedden zoomede de kelder", en die merkwaardige aanduiding kan naar de betreedbare grafkamer onder de heuvel hebben verwezen.

Van Lier gaf de dekheuvel een doorsnee van bijna twintig meter en een hoogte van ruim twee meter. Van Giffen mat later 25 tot 27 meter, volgens Van der Sanden omdat het maaiveld eromheen intussen was verlaagd en de heuvel was uitgezakt. Rond 1900 is de omgeving afgegraven, volgens De Wilde in 1907 zo diep dat de heuvel ruim een meter hoger kwam te liggen. Daardoor oogt hij nu hoger. Toch hoorde D13 in 1918 bij de drie Nederlandse hunebedden, met D22 en D40, waarvan de heuvel nog grotendeels bestond. Van Giffen vond de grafkelder dat jaar "in uitnemenden, zij het ook gerestaureerden staat". Volgens Franks was de heuvel kort voor 1872 hersteld. Het trapje lijkt pas bij een latere verhoging te zijn aangebracht en hoort waarschijnlijk niet bij de oorspronkelijke bouw.
Lanting onderscheidde in 1984 drie fasen in de heuvel. De oudste reikte tot het midden van de zijstenen, de tweede tot de onderkant van de dekstenen, en pas de derde bedekte de dekstenen helemaal, zodat het graf uit het zicht verdween. Die laatste ophoging is waarschijnlijk laat-neolithisch, 2850 tot 2000 v.Chr. Het stuifmeel erin zegt hetzelfde. Bij het hernieuwde onderzoek van J.N. Lanting zijn in 1984 pollenmonsters genomen, en die zijn per periode uit elkaar te houden. Van de oudste naar de jongste laag nemen boompollen en de linde af, en nemen de heide en de beuk toe – precies het verloop dat je verwacht als het land om de heuvel heen opener en armer wordt. Het verschil tussen de twee oudste fasen is klein; de derde is duidelijk jonger en hoort in het Laat-neolithicumca. 2800 tot 1900 v.Chr., de enkelgraf- en klokbekercultuurMeer over deze periode of de Vroege bronstijd1900 tot 1575 v.Chr.Meer over deze periode. Kolen (2005) leest de heuvel zelf anders. Tussen de eerste en de tweede ophoging vormde zich een bodem. Volgens hem wijst dat op een relatief lange tussentijd, al vallen beide fasen nog waarschijnlijk in de trechterbekertijd. Dat bevestigt Lantings klokbekerdatering langs een onafhankelijke weg.
Over het landschap van de bouwers zeggen de monsters iets dat voor alle hunebedden op deze kaart geldt. Ze lagen in open bos of aan de bosrand langs wegen, waar de heide zich soms al kon vestigen. Van grootschalige verarming van de bodem was nog geen sprake, want de linde – die door insecten wordt bestoven en dus weinig stuifmeel maakt – komt in redelijk hoge percentages voor. Aanwijzingen voor akkerbouw en veeteelt zijn er nauwelijks. Aanwijzingen dat de hunebedden op verlaten akkers zijn gebouwd ontbreken helemaal.
De heuvel bleef een plek voor de doden. Zo'n zestig meter naar het zuidoosten groef W. Oostra in december 1926 urnen uit de Late bronstijd1200 tot 800 v.Chr.Meer over deze periode op, en in 1928 legde Van Giffen daar zeven kringgreppels bloot. Het urnenveld moet veel groter zijn geweest.
Veel later werd er nog iets begraven. Op 4 december 1885 vond arbeider Jan Oosting bij het zandgraven, vlak ten zuiden van het graf en op ongeveer een meter diepte, een schaal op drie pootjes, afgedekt met een deksel en een steen. Er zat zand in, en daaronder volgens de burgemeester "een soort van beenderen". Alleen de pot is bewaard. Het is een Jydepot, aardewerk uit Jutland van eind zestiende of begin zeventiende eeuw, en voor zover bekend de eerste die in Drenthe is gevonden. Wat erin zat, valt niet meer na te gaan. Van der Sanden acht een doodgeboren kind mogelijk, maar plaatst het begraven van de pot voorlopig in het volksgeloof van toen. Hij denkt aan toverij, of aan een offer aan de witte wieven die men met zulke oude heuvels verbond. Het blijven, schrijft hij zelf, speculaties.
D13 stond hier bovendien niet alleen. Binnen een paar honderd meter lagen nog drie grafkamers. Alle drie zijn ze weg. De eerste kwam in januari 1923 boven toen H. Brinks uit Eext bij graafwerk op zijn erf een met stenen beklede grafkamer blootlegde; in zijn enthousiasme groef hij de hele kelder door, en toen kort daarna iemand van het Biologisch-Archeologisch Instituut poolshoogte kwam nemen was er niet veel meer over dan een groot gat en een hoop losse stenen. Van Giffen schreef in 1925 dat het in het voorjaar van 1923 gebeurde, "zoo te zeggen onder onze oogen", zo'n honderd meter ten zuidoosten van de grafkelder. Later onderzoek leverde nog keien op, scherven van trechterbekeraardewerk en een vrijwel gave kraagflas. Omdat grondsporen ontbraken en de stenen klein waren, geldt die kamer als een steenkist, met het nummer D13a. Helemaal beslecht is dat niet. J.A. Bakker hield het in 1979 op grond van het aardewerk op een klein hunebed dat lang geleden was ontmanteld; S.W. Jager vond in 1985 een ondiepe steenkist aannemelijker, juist omdat er in de grond geen spoor over was.
De andere twee vond Van Giffen in 1927, tijdens de opgraving van D13 zelf. Hun stenen waren al lang geleden afgevoerd, maar in pas ontgonnen land waren de concentraties granietgruis van hun standplaatsen zichtbaar geworden, het gruis dat achterblijft als je een zwerfsteen stukslaat. D13b was er bovendien door een sloot doorsneden en leverde weinig meer op dan wat trechterbekeraardewerk en de scherven van een vroege klokbeker; ook die geldt daarom als vermoedelijke steenkist. Bij D13c lag het beter. Nadat de verstoorde vulling was weggenomen, tekenden zich negen kuilen af waar draagstenen hadden gestaan. Een eenduidige plattegrond viel er niet uit af te leiden, de maat wel, hooguit zo'n 3,5 bij 1,5 meter, dus een klein hunebed of opnieuw een steenkist.
Van de drie dekstenen die in 1736 verdwenen, lag er in Van Liers tijd één over een pomp aan de straatweg in Eext. Schulte Schummelketel schreef in 1818 dat alle drie over die pomp waren gelegd. In 1976, het jaar waarin D13 wettelijke bescherming kreeg, kwam een verdwenen deksteen terug. Hij was in het dorp teruggevonden, waar hij jarenlang als brug had gediend, en kwam op 21 mei 1976 bij het graven van een rioolsleuf weer boven. Daarmee is de rekening niet vereffend. Een andere deksteen ligt mogelijk nog altijd ergens in de grond bij de dorpskerk.
Bekijk deze plek op de kaart →
Deze plek is stap 1 van 6 in de verhaallijn De rug als weg. Lees de hele lijn.
Op de achtergrond: de luchtfoto van deze plek (PDOK).
Gegevens
- Ligging
- 53.01137, 6.72703
- Gebied
- Eext
- Periode en cultuur
- Neolithicum, Trechterbekercultuur, Klokbekercultuur
- Zekerheid van de ligging
- hoog
In de buurt
- De brand van 1939In de zomer van 1939 brandde de boerderij van Jan Mennega aan de Anderenseweg af; de motorspuit uit Annen kwam te laat om meer te doen dan nablussen.180 m
Eerste molenAan de weg van Eext naar Rolde stond een standerdmolen die Van Lier in 1760 tekende; in maart 1833 brandde hij in één nacht af.250 m
Hunebed D12Hunebed D12 op de Kampakkers is het meest gehavende van Eext; de cementen plombes waarmee Van Giffen verdwenen stenen markeerde zijn zelf weggezakt.450 m- Stationsstraat 24Het erf van Stationsstraat 24 in Eext gaat terug tot 1630; een van de bewoners, Jan Homan, was Ette van Drenthe.490 m
- De KampakkersOp de Kampakkers bij Eext liggen een celtic field, neolithische bewoning, grafheuvels en hunebed D12 over elkaar heen op één akker.670 m
- GletsjerkoelDe gletsjerkoel bij Eext is een pingoruïne van tachtig meter breed en drie meter diep, die door het dunne keileemdek heen prikt.720 m
≈ ZuiderbrinkEen van de grotere brinken van Drenthe, met de dobben waarin door de eeuwen heen vier dorpsgenoten verdronken.730 m
≈ SchoolplaatEext werd twee keer een schoolplaat van J.B. Wolters, getekend door Bernardus Bueninck; de jongste heet 'Een gezicht in Eext', uit 1919.730 m- De brand van 1869In de nacht van 6 december 1869 brandde het huis van burgemeester Braams af; het dorp collecteerde f 81,05 voor zijn dienstboden.750 m
- Kerkstraat 26Kerkstraat 26 in Eext: zes keer achter elkaar dezelfde familie in de haardstedenregisters, en een herbouw in 1709 die de basisregistratie bevestigt.770 m
Hemelsbreed gemeten, van dichtbij naar ver. Verschuif de band naar rechts voor de volgende.
Bronnen
- hunebednieuwscafe.nl – d13 trapgraf eext
- Dorpsmuseum De Kluis, Eext
- mainzerbeobachter.com
- DBNL, Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren
- hunebeddeninfo.nl – overzicht verdwenen hunebedden in drenthe en groningen
- hunebednieuwscafe.nl – hunebed eext d13 op een 18e eeuwse gravure
- hunebednieuwscafe.nl – de typologie van noordwest europese megalithische grafconstructies onder de loep genomen deel 2 het trapgraf
- sidestone.com
- ugp.rug.nl (1)
- hunebeddeninfo.nl – d13 eext
- cambridge.org
- ugp.rug.nl (2)
- Wikipedia