Landschapssporen

De tijdlijn

Bronstijd

Periode·1900 tot 800 v.Chr.·45 plekken

De Bronstijd1900 tot 800 v.Chr. duurde van 1900 tot 800 v.Chr. en is genoemd naar de legering die de grondstof werd voor sieraden, gereedschap, wapens en rituele voorwerpen. Het Geheugen van Drenthe verdeelt hem in de Vroege bronstijd1900 tot 1575 v.Chr. (1900–1575 v.Chr.), de Midden-bronstijd1575 tot 1200 v.Chr. (1575–1200) en de Late bronstijd1200 tot 800 v.Chr. (1200–800), en merkt op dat de bronstijd in Drenthe lange tijd alleen uit het grafveld bekend was.

Dat laatste geldt op deze kaart nog steeds. Bijna alles wat hier uit deze periode staat is een graf.

De Galgenberg
Foto: Bert van As – CC BY-SA 4.0 · De Galgenberg →

Heuvels, en dateringen die twee perioden toelaten

De Galgenberg op het Balloërveld is er het duidelijkste voorbeeld van: toen die in 1933 werd onderzocht bleek het om een grafheuvel uit de Bronstijd1900 tot 800 v.Chr. te gaan, met sporen van twee ringsloten.

Celtic field bij Balloo
Foto: Bert van As – CC BY-SA 4.0 · Celtic field bij Balloo →

Bij veel andere heuvels blijft de datering open tussen het Neolithicumca. 5325 tot 1900 v.Chr.Meer over deze periode en de Bronstijd1900 tot 800 v.Chr., en dat staat zo in de registraties. Op de Molenesch bij Anloo, bij de grafheuvel op de rand van het Scheebroekerloopje, op de Kampakkers bij Eext en bij de grafheuvels van Varik: overal dezelfde formulering, en meestal met de opmerking dat meer zekerheid zonder opgraving niet te krijgen is. Die heuvels staan daarom bij beide perioden.

Het zijn er meer dan je zou denken. Bij de Hooidijk, bij de Kromme Dijk, op de Galgenberg in de Strubben, bij de tweede heuvel naast de Ketenberg en bij de twee in het Kniphorstbosch staat dezelfde of-of in de registratie – en bij die laatste twee rekt hij zelfs door tot in de Vroege ijzertijd800 tot 500 v.Chr.Meer over deze periode. Wat al die heuvels gemeen hebben is dat er nooit in is gegraven: de datering komt uit hun vorm en hun ligging, en dat is een marge van eeuwen.

Op de Mandenberg is de Bronstijd1900 tot 800 v.Chr. wél scherp: daar ligt een tweede graf binnen een regelmatige krans uit de Midden-bronstijd1575 tot 1200 v.Chr., en aan de rand kwamen meerdere latere begravingen boven.

De akkers beginnen hier

De celtic fields op deze kaart – de raatakkers met hun lage walletjes – worden meestal aan de IJzertijdca. 800 tot 12 v.Chr.Meer over deze periode toegeschreven, maar hun begin ligt eerder. Bij het celtic field bij Balloo zet de registratie er jaartallen bij: aangelegd vanaf de Late bronstijd1200 tot 800 v.Chr. en in gebruik tot in de vroeg-Romeinse tijd, van ongeveer 1100 v.Chr. tot 200 n.Chr. Dertien eeuwen achtereen dezelfde akkers. Bij de Kromme Dijk bij Eext geldt hetzelfde, en bij het complex op de luchtfoto's van 1968 bij Gieten ook.

Dat is voor deze kaart een belangrijk gegeven: de oudste akkerbouw die je in het reliëf kunt zien begint in de Bronstijd1900 tot 800 v.Chr. en niet in de IJzertijdca. 800 tot 12 v.Chr.Meer over deze periode.

En één plek waar het hout bewaard bleef

Uit het Rommeltje bij Gieten kwamen in de negentiende eeuw bij het afgraven van veen fragmenten van een houten bak, gedateerd in de Vroege bronstijd1900 tot 1575 v.Chr., rond 2000 v.Chr. Dat is op deze hele kaart de enige bronstijdvondst die geen steen, aardewerk of grondspoor is – en de enige reden dat er hout van vierduizend jaar oud kon overblijven is dat het in een offerveentje terechtkwam.

In de Hooilanden in het Hunzedal kwam op een ontzande rug een scherf boven van een lappenschaal – een schaal met vier naar buiten getrokken hoeken, vandaar de naam – uit de Late bronstijd1200 tot 800 v.Chr. of misschien net de Vroege ijzertijd800 tot 500 v.Chr.Meer over deze periode. Op diezelfde rug lag mesolithisch vuursteen.

Nat is een offer, droog is een spaarpot

Het houten bakje uit het Rommeltje staat niet toevallig in een veentje, en dat is geen toeval van bewaring alleen. Van honderdvijftien bronzen voorwerpen uit Noord-Nederland – speerpunten, dolken, zwaarden, messen, hals- en armringen – komt ruim de helft uit een natte context: veen, rivier of moeras. Armringen vormen de uitzondering, want die komen juist meestal uit graven. En geen enkel van die honderdvijftien voorwerpen is in een nederzetting gevonden.

Achter dat patroon zit een onderscheid dat op deze kaart vaker van pas komt. Een depot dat je later weer wilde ophalen leg je in droge grond, ondiep, en je markeert de plek – met een grote steen bijvoorbeeld. Een depot dat je nooit meer wilde zien leg je juist op een plaats die moeilijk toegankelijk is en waar je het niet meer weg kunt halen: veen, moeras, stromend water. Het eerste is een bergplaats, het tweede een offer. Ruim de helft van die bronzen voorwerpen ligt in het tweede soort plek.

Dat is precies de redenering waarmee bij de muntschat van Balloo, tweeduizend jaar later, voor een offer wordt gekozen in plaats van voor een spaarpot: een schat die je terug wilt halen, leg je droog. Die redenering is niet voor die schat bedacht; ze geldt in Noord-Nederland al voor de Bronstijd1900 tot 800 v.Chr., en ze sluit aan bij wat er elders in Europa over bronsdepots bekend is.

Familiegraven, en de eeuw waarin het gebruik omslaat

Twee dingen maken de bronstijdheuvels anders dan de neolithische graven eronder, en allebei zijn ze op deze kaart terug te zien.

Het eerste is dat een heuvel niet meer bij één dode hoort. De paalkransheuvels uit de Midden-bronstijd1575 tot 1200 v.Chr. – volgens de landschapsbiografie van de Drentsche Aa aangelegd tussen ongeveer 1575 en 1475 v.Chr. – kregen er in de loop van de tijd begravingen bij: een tweede, een derde, soms nog een aan de rand. Het zijn familieheuvels geworden. De Grote Mandenberg op het Balloërveld laat precies dat zien: een vondstloze bijzetting binnen een onregelmatige paalkrans uit het Late neolithicumca. 2800 tot 1900 v.Chr., de enkelgraf- en klokbekercultuurMeer over deze periode, daarboven een tweede binnen een regelmatige krans uit de midden-bronstijd, en aan de rand begravingen in boomkisten – waaronder graven met bronzen sieraden en een graf met kleine gouden ringetjes.

Het tweede is dat er ergens tussen 1300 en 1200 v.Chr. iets omslaat in wat men met een dode doet. Vanaf dan wordt er gecremeerd, en de as gaat in een urn onder een lage heuvel. Grote grafheuvels maken plaats voor urnenvelden met tientallen kleine heuveltjes bij elkaar. Op deze kaart is die omslag het duidelijkst bij Gasteren, waar het grafveld begint met een heuvel uit de Late bronstijd1200 tot 800 v.Chr. en doorloopt in brandheuvels; en het is de reden dat de urnenvelden op deze kaart bijna allemaal in de IJzertijdca. 800 tot 12 v.Chr.Meer over deze periode staan en niet hier. Wie de Bronstijd1900 tot 800 v.Chr. zoekt, zoekt de laatste eeuwen waarin men zijn doden nog begroef.

Wat je in het veld ziet

Grafheuvels, en dan vooral de lage. De bronstijdnederzettingen zijn in het landschap meestal niet zichtbaar: die bestaan archeologisch uit paalkuilen, kuilen, aardewerk, haardplaatsen en soms een huisplattegrond. Aan de Borgweg in Schipborg kwam bij graafwerk vuursteen en aardewerk uit de Vroege bronstijd1900 tot 1575 v.Chr. boven, met de belangrijkste mededeling van die registratie erachteraan: onder een stuifzandlaag van ongeveer een meter zouden nog nederzettingssporen moeten liggen. Zo'n laag werkt als een deksel – niet geploegd, niet vergraven, niet uitgespoeld. Op De Bloemakkers bij Gieten is precies dat opgegraven. Het sterkste spoor daar is er een van een heuvel die niet meer bestaat: een ringsloot uit de Bronstijd1900 tot 800 v.Chr., tussen ruwweg 1800 en 1600 v.Chr., die zich na het wegploegen van de heuvel nog als een zwarte cirkel in het gele zand aftekende.

Plekken uit de Bronstijd op de kaart

Alle plekken per dorp en gebied →