Landschapssporen

Tynaarlo

Hunebed D6 bij Tynaarlo, gaaf gebleven

Hunebed·PrehistorieBekijk de kaart

Hunebed D6 bij Tynaarlo, gaaf gebleven
Hunebed D6 in het voorjaar van 1873, gezien vanaf het zuiden. De gestreepte lat is een naamtafel – een meetlat met de plaatsnaam en banen van tien centimeter – die speciaal voor deze foto is neergezet. · Foto: Collectie Drents Museum (DM330126), via de beeldbank van het Drents Archief, opname Friedrich Julius von Kolkow – Publiek domein

Hunebed D6 bij Tynaarlo bestaat uit 8 draagstenen en 3 dekstenen, en die 3 liggen nog op hun oorspronkelijke plaats. Volgens Bakker was D6 eeuwenlang het enige hunebed in Drenthe waarvan dat gold. Als alle Nederlandse hunebedden is hij gebouwd door de Trechterbekercultuur4000 tot 2700 v.Chr.Meer over deze periode; Bakker telt 3 paar draagstenen en een grafkamer van ongeveer 3,9 meter – na D13 de kortste van deze kaart. Waarschijnlijk bleef hij juist daarom zo gaaf. Er lag weinig te halen. "Het hunebed verkeert in uitnemenden staat; een dek- of mantelheuvel ontbreekt echter", vatte Van Giffen het samen. Dat oordeel houdt stand. Al in 1848 noemde Pan "het fraaije hunebed te Tinaarlo" als voorbeeld van een graf waarvan stenen en zijwanden geheel bloot liggen. Het mag een wonder heten dat het zo ongeschonden door de eeuwen is gekomen, in een tijd waarin stenen werden opgeblazen voor wegen en dijken. Op 7 mei 1880 kocht de Staat het van de markeHet gezamenlijke grondgebied van een dorp: de heide, het veen en de weiden die de boeren samen gebruikten, en ook de vereniging van boeren die erover besliste. Wie er rechten in had, heette markegenoot.Alle begrippen van Tynaarlo, volgens de akte die Van Giffen in 1925 aanhaalt, en daarmee waren alle Nederlandse hunebedden op één na in handen van Staat of provincie. Hij noemde D6 "de Benjamin onder de steengraven", het laatst publiek bezit geworden, en vroeg zich af of het mede daardoor zo op de voorgrond was geschoven.

Hunebed D6 in 1918, gefotografeerd door Van Giffen zelf in het jaar dat hij de Nederlandse hunebedden inventariseerde. Links op de achtergrond twee boerderijen aan de Stationsstraat. Het glasnegatief in de beeldbank is een reproductie van rond 1920 naar zijn opname.
Hunebed D6 in 1918, gefotografeerd door Van Giffen zelf in het jaar dat hij de Nederlandse hunebedden inventariseerde. Links op de achtergrond twee boerderijen aan de Stationsstraat. Het glasnegatief in de beeldbank is een reproductie van rond 1920 naar zijn opname. · Beeld: Collectie Drents Archief (DA769159), opname Albert Egges van Giffen – Publiek domein

In juni 2010 is D6 voor het eerst wetenschappelijk onderzocht. Dat gebeurde op een ongewone manier: niet de vorm van het graf stond centraal maar het materiaal. Een groep van het Groninger Instituut voor Archeologie beschreef elke steen op soort, kleur en textuur, liet het hunebed van binnen én van buiten in drie dimensies inscannen, en onderzocht de omgeving met een weerstandsmeter en een magnetometer. Dat juist D6 daarvoor in aanmerking kwam, dankt hij aan zijn gaafheid: de dekstenen liggen op hun oorspronkelijke plaats en het hunebed is nooit gerestaureerd.

De stenen blijken op één na van Zuid-Zweedse herkomst: Bornholm-granieten, Småland-granieten, twee migmatieten en een mogelijke Våxjö-graniet. De uitzondering is deksteen D3, een Ålandrapakivi. En daar zit de vondst. Zwerfstenen worden naar herkomst in vier gebieden verdeeld, en op de Hondsrug liggen vooral stenen uit gebied I, Noord-Zweden en Finland. Van D6 komen er negen, misschien tien, uit gebied III, Zuid-Zweden, dat rond Tynaarlo juist minder voorkomt, en uit gebied II geen enkele. De bouwers hebben dus gekozen uit wat er in de buurt lag, waarschijnlijk op kleur: roze overheerst, middenroze het meest, en de Ålandrapakivi is donkerroze. Bij vier andere hunebedden die de onderzoekers bekeken, overheerst middenroze ook, maar "zeker geen exclusieve keuze" – en roze graniet zit evengoed in het trechterbekeraardewerk en in maalstenen. Van slepen over grote afstand is geen sprake. Opvallend is nog dat de drie dekstenen, die vermoedelijk nooit onder de dekheuvel hebben gelegen, alle drie een andere kleur hebben.

Ze zijn bovendien bewerkt. Van Giffen zag dat in 1925 anders. Hij noemde alle stenen onbehouwen, al viel hem de vlakke binnen- en onderkant wel op. Alle acht draagstenen hebben aan de binnenkant een opvallend plat vlak, en twee zijstenen van dezelfde steensoort lijken op de scan twee helften van één steen te zijn: er is materiaal gespleten. Hoe dat is gedaan valt niet meer te zien, want de verwering heeft de aanzetten voor wiggen en de sporen van kappen uitgewist. De geofysische metingen leverden er twee dingen bij op: de ligging van de verdwenen dekheuvel, en aan de zuidkant afwijkingen die mogelijk van twee weggehaalde poortzijstenen zijn. Daar had Van Giffen de ingang al gelegd, oostelijk van het midden, waar twee zijstenen verder uit elkaar staan. De lengteas van de kamer wijst naar het oostzuidoosten, 121 graden volgens de meting van González-García en Costa-Ferrer (2003); een ingang hadden zij niet om te meten. Wat níet kon worden vastgelegd is precies waarvoor de scan bedoeld was – het ruimtelijk effect van de grafkamer van binnenuit – want daar ligt sinds jaar en dag een beschermende betonvloer in de weg.

De steen naast het hunebed droeg een naamplaquette, maar die is door verzamelaars meegenomen. Van Giffen meende in 1925 dat er bij Tynaarlo vier hunebedden waren verdwenen. Smids noemde er in 1711 vijf, net buiten de schutting van de esDe hoge, gezamenlijke akker van een esdorp. De boeren hadden er elk hun eigen stroken, maar de es werd als geheel omheind. Door eeuwen bemesting met plaggen is de grond er dik en bol geworden.Alle begrippen, en de vijfde, iets verder weg, hield Van Giffen voor D6. Over de andere vier vond hij in de literatuur en ter plaatse niets meer. "Men heeft er geen heugenis meer van." Ten oosten van D6 lag nog een hunebed, en dat heeft een verwarrende papieren geschiedenis. In 1928 onderzocht Van Giffen daar een uitgestoven en vergraven terrein dat met ontginning werd bedreigd, meende de sporen van twee verdwenen hunebedden te vinden en nummerde ze D6e en D6f. Later concludeerden J.N. Lanting en anderen dat het om de standplaats van één enkel hunebed gaat, dat sindsdien D6a heet: een klein exemplaar van 4,8 bij 2 meter, opgebouwd uit vier paar zijstenen. Dat punt staat op deze kaart. Wie een oudere kaart raadpleegt kan er dus nog twee nummers vinden waar er één had moeten staan; de archeologische overzichtskaart in de landschapsbiografie van de Drentsche Aa gebruikt bijvoorbeeld nog steeds D6e.

Lang is gedacht dat D6 de ‘Duvels Kutte’ is van de zestiende-eeuwse kaarten; Bakker hield het er in 1992 nog op, maar Wijnand van der Sanden stelde in 2014 vast dat het om D10 bij Gasteren gaat.

Het hunebed van Tynaarlo, geschilderd door Willem Roelofs in 1861. De schaapskudde en de kale heide zijn weg; de stenen liggen er nog precies zo bij. Roelofs legde in zijn leven maar twee hunebedden vast, en dit is de eerste.
Het hunebed van Tynaarlo, geschilderd door Willem Roelofs in 1861. De schaapskudde en de kale heide zijn weg; de stenen liggen er nog precies zo bij. Roelofs legde in zijn leven maar twee hunebedden vast, en dit is de eerste. · Beeld: Willem Roelofs – Public domain

D6 is ook getekend voordat de fotografie het overnam. In juli 1858 tekende Alexander Ver Huell het hunebed met toeristen erbij, en J.H. Hoffmeister maakte er een litho van, die in 1859 in het tijdschrift Tijdspiegel verscheen. De schilder Willem Roelofs legde het hunebed in 1861 vast. Hij deed dat maar twee keer in zijn leven, hier en dertig jaar later bij Exloo. In 1876 beschreef de Franse reisschrijver Henry Havard het graf als geheel overeind en prachtig bewaard, alleen midden in een eindeloze heide. Het schilderij van Roelofs hangt in het Drents Museum, en het laat zien wat er sindsdien is verdwenen: het graf staat op kale heide, met een kudde schapen ervoor en een herder op een van de dekstenen.

Veertig jaar later werd D6 het middelpunt van een schoolplaat. Bernard Bueninck schilderde hem in 1901, en uitgeverij J.B. Wolters gaf het beeld uit als wandplaat, De heide met hunnebed bij Tinaarloo, die in veel klaslokalen hing. Links ligt het hunebed midden in de heide, met een scheper en zijn kudde ernaast. Door het veld slingert een zandweg waarover een paard een huifkar trekt, en op de achtergrond liggen heuveltjes en bos. Bueninck zat volgens een krant uit 1951 dicht bij het station Vries-Zuidlaren, met zijn rug naar het spoor. Toen professor Van Veldhuizen in 1916 de Adderhorst bezocht, vond hij het landschap van de plaat nog vrijwel ongeschonden terug. In 1951 ging een schrijver op dezelfde plek zitten en herkende alleen het hunebed nog. De zandweg was verhard, de heide links ontgonnen, en rechts van de weg stond een nieuwe woonwijk in het bos.

Bekijk deze plek op de kaart →

Deze plek is stap 7 van 7 in de verhaallijn Wat je ziet, is opnieuw gemaakt. Lees de hele lijn.

Op de achtergrond: de luchtfoto van deze plek (PDOK).

Gegevens

Ligging
53.07466, 6.62943
Gebied
Tynaarlo
Periode en cultuur
Neolithicum, Trechterbekercultuur
Zekerheid van de ligging
hoog

In de buurt van deze plek

  1. Villapark TynaarloBij Tynaarlo moest gemeenteheide akker en daarna een tuindorp van zestig huizen worden; het werd een park waar in 1941 acht boschvilla's stonden.290 m
  2. Hunebed D6aD6a bij Tynaarlo is een verdwenen hunebed dat Van Giffen in 1928 voor twee aanzag; hij nummerde het D6e en D6f.320 m
  3. De AdderhorstOp de dalrand van het Zeegserloopje liggen tien grafheuvels bij elkaar; onderzocht is er geen, maar juist de groep wijst op de ijzertijd.380 m
  4. Professor van AdderhorstDe Groningse hoogleraar A. van Veldhuizen kocht in 1916 bos, wei en heide bij Zeegse, noemde het Adderhorst en liet het bewust verwilderen.490 m
  5. Grafheuvels ZeegserloopjeOp de dalrand van het Zeegserloopje liggen twee grafheuvels: de noordelijke zwaar vergraven, de zuidelijke bij het Witveen in 2000 hersteld.700 m
  6. ≈ Goudschat van ZeegseBij Zeegse vonden twee detectorzoekers in 2014 zevenenveertig gouden solidi uit de zesde eeuw, naar gewicht de grootste van Nederland.850 m
  7. Von Dülmen KrumpelmannAan de Zeegsersteeg bouwde schilder Von Dülmen Krumpelmann in 1926 zijn huis; hij kwam in 1917 naar Zeegse en overleed er in 1987.880 m
  8. Aardewerk voetbalveldBij de aanleg van het voetbalveld van Tynaarlo kwam in 1981 veel aardewerk boven; het beschermde terrein ligt naast het veld, waar de grond nog ongeroerd is.1,1 km
  9. TynaarloTynaarlo is het noordelijkste dorp van deze kaart; de Archeologische Monumentenkaart registreert de kern als esdorp met mogelijk sporen van vroegere bewoning eronder.1,3 km
  10. ZeegseZeegse ligt tussen de Noorderesch en de Zuideresch op de rand van het beekdal; de landschapsbiografie dateert de nederzetting in de vierde tot vijfde eeuw.1,5 km

Hemelsbreed gemeten, van dichtbij naar ver. Verschuif de band naar rechts voor de volgende.