Landschapssporen

De tijdlijn

Trechterbekercultuur

Cultuur·4000 tot 2700 v.Chr.·binnen het Neolithicum·24 plekken

De Trechterbekercultuur4000 tot 2700 v.Chr. is genoemd naar een aardewerkvorm, en het is de cultuur die dit landschap zijn bekendste monumenten heeft gegeven: de hunebedden zijn collectieve grafmonumenten van gemeenschappen die tot deze cultuur worden gerekend. Het Geheugen van Drenthe dateert haar op 4000 tot 2700 v.Chr. en plaatst Drenthe in de Westgroep, die Noord-Nederland en Noord-Duitsland tot aan de Elbe omvat. Het verspreidingsgebied van de cultuur als geheel liep bij tijden van Nederland tot in Oekraïne en Zweden.

Hunebed D18 en de eik die eraf moest
Foto: Collectie Drents Archief (DA94001069), opname Johannes Gerhardus Kramer – Publiek domein · Hunebed D18 en de eik die eraf moest →

Dertien hunebedden, en waarom ze hier allemaal staan

Op deze kaart staan dertien hunebedden overeind: D6 bij Tynaarlo, D7 en D8 in het Strubben-Kniphorstbos, D9 midden in Annen, D10 in de Gasterse Duinen, D11 in het Evertsbos, D12 op de Kampakkers, D13 bij Eext, D14 bij Eexterhalte, D15 bij Loon, D16 bij Balloo, en D17 en D18 in Rolde – de Rolder Tweeling. Daarnaast staan er drie standplaatsen van hunebedden die er niet meer zijn: D6a bij Tynaarlo, en D8a en D8b in het Kniphorstbos. Die tellen hier niet mee als hunebed – er valt niets te bekijken – maar ze hebben elk hun eigen verhaal.

De consensus is dat ze, net als de andere hunebedden in Nederland, allemaal door deze cultuur gebouwd zijn. Dat komt doordat er drie dingen tegelijk voor nodig waren: zwerfstenen die het landijs had achtergelaten, een gemeenschap die groot genoeg was om ze te verslepen, en een gebruik waarin je je doden gezamenlijk in een stenen kamer bijzet. Toen dat laatste veranderde – en dat gebeurde al bij de opvolgers van deze cultuur – hield het bouwen op.

Van die drie voorwaarden is het eerste het meest bepalend geweest voor waar ze staan. Hunebedden liggen niet alleen op hoge, leemarme grond maar ook opvallend vaak vlak bij een erosierand van het keileem – daar had het smeltwater de leem weggehaald en lagen de zwerfkeien aan de oppervlakte, soms van enkele tonnen en de zwaarste rond de twintig ton. Je bouwde waar het bouwmateriaal lag. Dat verklaart ook waar ze júist niet staan: in het westen van Drenthe ligt over het keileem een dikke laag dekzand, en daar was aan de oppervlakte weinig te vinden.

Dat is met de geomorfologische kaart van de provincie na te rekenen, en het houdt stand. Van de dertien hunebedden op deze kaart staan er vijf op een grondmorenerug – de keileemrug zelf – en vijf op een smeltwatervorm: een smeltwaterrestrug of een smeltwaterglooiing, precies daar waar het smeltwater de leem heeft weggehaald. Tien van de dertien staan dus aan de ene of de andere kant van diezelfde grens. De overige drie staan op zand: twee op een land- of stuifduin en één op een dekzandwelving, in de Gasterse Duinen en het Strubben-Kniphorstbos. Of dat zand er al lag toen er werd gebouwd, zegt deze kaart niet.

Hunebed D12 op de Kampakkers
Foto: Jan R. Ubels (Flickr) – CC BY-NC-ND 4.0 · Hunebed D12 op de Kampakkers →

Waarom ze er kaal bij liggen

Een hunebed is niet gebouwd om eruit te zien zoals het er nu uitziet. Onder de dekheuvel lag de grafkamer verborgen; wat je vandaag ziet is in de meeste gevallen de kale steenconstructie, en dat is geen werk van de tijd maar van één man met een verkeerde overtuiging. L. Oldenhuis Gratama, van 1864 tot 1887 lid van de Provinciale Staten van Drenthe, was tegelijk een van de beschermers en een van de grootste bedreigers van deze monumenten. Hij was ervan overtuigd dat de dekheuvels stuifzand waren dat in de loop der eeuwen tegen de stenen was aangewaaid, en liet ze daarom overal weghalen. Daarmee heeft hij in belangrijke mate bepaald hoe de Drentse hunebedden er nu bij liggen.

Wat het verschil maakt, is op deze kaart aan drie hunebedden af te lezen. D13 bij Eext heeft zijn heuvel nog, en juist daaraan dankt het zijn trap en zijn naam Eexter grafkelder. D14 bij Eexterhalte raakte de zijne in juli 1871 kwijt, bij een opknapbeurt in opdracht van de provincie waarbij de resten van de dekheuvel werden geëgaliseerd – niet Gratama's werk, maar wel dezelfde opvatting in dezelfde jaren – en op de tekeningen van ná die maand zijn de draagstenen ineens goed zichtbaar. En bij D6 bij Tynaarlo is de verdwenen dekheuvel in 2010 met een weerstandsmeter alsnog in de bodem teruggevonden. Wie hier een steenhoop op de heide ziet liggen, kijkt dus naar een negentiende-eeuwse beslissing – en dezelfde man komt op deze kaart nog één keer voorbij, want via hem belandde volgens de overlevering een kwart van de muntschat van Balloo in een collectie.

Waarom D13 een trapgraf heet en D16 een ganggraf

Wie deze dertien hunebedden naast elkaar legt, komt vier woorden tegen – ganggraf, dolmen, trapgraf, langgraf – en die woorden lijken over de vorm van het monument te gaan. Dat doen ze niet. Het onderscheid zit vrijwel helemaal in de ingangspartij, in hoe je bij de grafkamer binnen kwam. Willem Donker zette de typologie in 2026 in zes delen op een rij, met Van Giffen, Sprockhoff, Bakker, Schuldt, Klok en Lanting in de hand, en dat is de lijn die deze kaart aanhoudt.

Een ganggraf heeft een gang van één of meer trilithons – twee staande stenen met een deksteen erop – meestal haaks op de lange zijde van de kamer. Vrijwel alle Nederlandse hunebedden zijn dat, en op deze kaart is het aan de stenen te zien: D16 bij Balloo heeft twee poortzijstenen met een poortdeksteen, D15 bij Loon heeft een complete poort van vier zijstenen en een deksteen, D17 en D18 in Rolde hebben er elk een paar, en D7 in het Strubben-Kniphorstbos ook. Waar de poort bewaard bleef, is de vraag naar het type meteen beantwoord.

Een dolmen heeft zijn ingang aan een korte zijde, of helemaal geen duidelijke ingang. Op deze kaart is er precies één kandidaat, en die is onbeslist: over D12 op de Kampakkers zijn archeologen het oneens. Donker laat de vraag in het midden, maar vindt dat Lanting overtuigend heeft aangetoond dat het geen dolmen is. Daar staat een voorstel van Daan Raemaekers en Sander Jansen uit 2013 tegenover, dat niet uit de grond komt maar uit het archief: zij lazen de opgravingsdocumentatie van 1952 opnieuw en concluderen dat de grondsporen die Van Giffen toen als standplaatsen van verdwenen stenen las, waarschijnlijk niets van dien aard zijn. Blijft er een U-vorm over, en dus een dolmen. Twee kanten dus, en op deze kaart staan ze allebei bij de plek zelf – met de kanttekening dat de tweede een beargumenteerd voorstel is en geen herclassificatie.

Een trapgraf heeft een stenen trapje. Dat is D13 bij Eext, en dat is zeldzaam: van de bijna 4500 bewaarde megalithische monumenten in het hele trechterbekergebied staan er minder dan tien als trapgraf te boek. Donker bezocht de Duitse voorbeelden en vond er geen enkel trapje meer dat hem overtuigde; in Denemarken en Polen kwam hij het type niet tegen. Bij D13 voert de trap met vier treden vanaf de top van de zandheuvel naar de kamer.

En een langgraf valt buiten die reeks, want die term gaat niet over de ingang maar over de steenkrans eromheen. D14 bij Eexterhalte is er een: achttien meter lang, met een langgerekte dekheuvel omgeven door een rij stenen.

Er is één maat waarmee ze allemaal te vergelijken zijn, en dat is de inwendige lengte van de grafkamer. J.A. Bakker geeft die in zijn lijst van alle Nederlandse hunebedden, samen met het aantal draagsteenparen, en bij deze dertien loopt hij van 3,2 meter tot bijna zestien – een factor vijf. Klein zijn D13 bij Eext (3,2 m, drie paar) en D6 bij Tynaarlo (3,9 m, drie paar); in het midden liggen D10 in de Gasterse Duinen (5 m), D8 in het Kniphorstbos (5,7 m), D7 daar vlakbij (7,2 m), D11 in het Evertsbos (7,6 m) en D15 bij Loon (8 m); en groot zijn D18 in Rolde (10,5 m), D17 ernaast (12 m), D16 bij Balloo (13,8 m) en D14 bij Eexterhalte (15,9 m, negen paar). Twee vallen buiten die reeks: D9 in Annen en D12 op de Kampakkers, waar Bakker geen maat opgeeft. Beide zijn in 1952 door Van Giffen opgegraven en herbouwd, en van beide is te weinig over om nog te meten.

Twee dingen die daaruit opvallen. D15 bij Loon heeft van alle Nederlandse hunebedden mét een steenkrans de kortste grafkamer – acht meter, met achttien van de drieëntwintig kransstenen nog aanwezig. En D6 dankt zijn gaafheid waarschijnlijk aan zijn geringe omvang: het is een van de weinige waarvan alle dekstenen nog op hun plek liggen, en het is meteen een van de kleinste. Waar weinig te halen viel, is weinig weggehaald.

Twee dingen om te weten voor je deze woorden ergens anders tegenkomt. Het begrip portaalgraf wordt niet meer gebruikt, ook al staat het nog in tabellen op internet. En Donker bepleit om ook langgraf en trapgraf als zelfstandig type te laten vallen, juist omdat ze niets zeggen over de ingang. Dat laatste is een beargumenteerd standpunt van één auteur en geen vaststaand feit; deze kaart houdt de namen daarom aan zoals ze bij de monumenten horen, met de kanttekening erbij.

Wat er in zo'n kamer gebeurde

Van de mensen zelf is niets over. In dit zure zand verdwijnt bot volledig, en wat er in een grafkamer overblijft zijn kralen, bijlen, vuurstenen voorwerpen en vooral heel veel aardewerk. Dat aardewerk is daarmee het enige waaruit is af te leiden wat hier werd gedaan – en het is er in hoeveelheden die tot ver buiten Nederland opvallen. Uit Glimmen G2 kwamen 8000 scherven, uit Diever D52a dertigduizend; kelderinhouden van vier-, zes- en zelfs twaalfhonderd potten zijn bekend, waar Ierse megalietgraven het zelden verder brengen dan twintig.

Omdat er telkens werd bijgelegd en niet uitgeruimd, is uit dat aardewerk de gebruiksduur af te lezen: de vermoedelijke bouwdatum, de laatste bijzetting, en zelfs onderbrekingen waarin een graf een tijd verlaten lag en daarna opnieuw in gebruik kwam. Sommige hunebedden zijn vijfhonderd jaar gebruikt, andere honderdvijftig tot driehonderd.

En dan wordt het aantal potten juist een tegenargument. Deel de hoeveelheid aardewerk door de tijd dat een graf openstond, en neem aan dat groepen potten telkens tegelijk zijn achtergelaten, dan is eens in de tien à vijftien jaar – ongeveer eens per generatie – al genoeg om aan die aantallen te komen. In dat geval is een hunebed geen begraafplaats waar iedereen uit de gemeenschap terechtkon, maar de laatste rustplaats van een beperkte groep die een speciale behandeling kreeg. Het woord collectief hierboven slaat dan op de kamer, niet op de gemeenschap.

Wat er precies gebeurde, is uit de vormen af te lezen, en het verandert in de loop van die eeuwen. Het vroegste ritueel bestaat uit kleine aantallen voorraadpotten, emmers en kommen: offers, waarschijnlijk van voedsel. Ongeveer honderd jaar later komt daar een compleet servies bij dat op feesten wijst – gemeenschappelijk vaatwerk om uit op te scheppen, individuele potten om uit te eten en te drinken. Daarna wordt drinken belangrijker: er wordt niet meer opgediend maar rechtstreeks uit de gemeenschappelijke pot gegeten, en de amforen die dan algemener worden passen bij al aangelengde dranken, vruchtensappen, aftreksels en gefermenteerde vloeistoffen die tegen lucht en insecten beschermd moesten worden. In een laat stadium houden de feestmaaltijden op en ligt de nadruk weer op offers.

Eén ontnuchtering hoort erbij. Dit is geen speciaal aardewerk. Het varieert sterk in kwaliteit – slordig versierd, slecht gebakken exemplaren komen voor – en het is even versierd als het aardewerk uit nederzettingen. Dat het bijzonder lijkt komt doordat het beter bewaard bleef en in publicaties tot complete potten kan worden gereconstrueerd, terwijl nederzettingsvondsten niet verder komen dan kleine, onaanzienlijke scherven. Het is het dagelijkse serviesgoed van de mensen die het achterlieten.

Neergezet om gezien te worden

Er is nog een verschil tussen een hunebed en al het andere dat deze cultuur naliet, en dat is de plaats die ervoor werd gekozen. Onderzoek naar de locatiekeuze op het Drents Plateau laat zien dat nederzettingen, depots en vlakgraven allemaal op ruggen en andere hoger gelegen plekken liggen, met wat sterker reliëf dan de omgeving. De megalietgraven wijken daarvan af: ze liggen op terreinen met nog sterker reliëf, met een voorkeur voor hellingen, en bijna een vijfde van ze ligt in een dal – waar verder niets werd aangelegd. De verklaring die daarvoor wordt gegeven is de zichtbaarheid van het graf zelf. Een hunebed staat niet waar het handig was maar waar het te zien was.

Uit datzelfde onderzoek komt een regel die breder geldt dan deze cultuur: terreinvorm, reliëf en grondwaterstand gaven de doorslag, en bodemsoort en ondergrond veel minder. Die laatste werkten vooral negatief – de aanwezigheid van een geschikte bodem was onvoldoende reden om je ergens te vestigen, maar de afwezigheid ervan was wel reden om het níet te doen.

Gebouwd door de een, gebruikt door de ander

De Trechterbekercultuur4000 tot 2700 v.Chr. verdwijnt rond 2700 v.Chr., maar de stenen bleven staan. Wie na hen kwam, liep tegen kamers aan die al eeuwen oud waren en gebruikte ze opnieuw – niet om te bouwen, maar om te begraven. Op deze kaart is dat aan twee hunebedden te zien, en allebei op een andere manier.

Bij D15 bij Loon groeven in 1974 twee jongens uit Assen illegaal bij de ingang en vonden twee klokbekers en een stuk metaal. Die bekers horen bij de Klokbekercultuur2400 tot 1900 v.Chr.Meer over deze periode, grofweg 2450 tot 2000 v.Chr. – ruim vijfhonderd jaar na de bouw. Of het om een bijzetting ging, om een offer of om iets anders, is niet vast te stellen; wat vaststaat is dat er lang na de bouwers nog mensen bij dat graf kwamen.

Bij D13 bij Eext zit het hergebruik in de vorm van het monument zelf. Volgens J.N. Lanting stamt de top van de heuvel, die ooit ook de dekstenen bedekte, uit de klokbekertijd. Het graf eronder is ruim duizend jaar ouder dan de heuvel eroverheen. En daar bleef het niet bij: D13 is veertig eeuwen lang als begraafplaats in gebruik geweest, tot en met een kind dat er rond 1600 ná Christus is bijgezet.

Dat de opvolgers anders begroeven, is op deze kaart apart te zien. De Enkelgrafcultuur2800 tot 2400 v.Chr.Meer over deze periode – ook standvoetbekercultuur genoemd – legde haar doden niet gezamenlijk in een stenen kamer maar één voor één onder een eigen zandheuvel, met een beker en vaak een strijdhamer erbij; op Landgoed Terborgh onder Anloo kwam in 1958 zo'n standvoetbeker boven. In de grafheuvels van het Evertsbos en op de Ketenberg bij Eext liggen die twee gebruiken zelfs in één heuvel gestapeld: een oudste graf uit de enkelgrafperiode, met daarboven een tweede uit de klokbekertijd.

En de plekken die geen hunebed zijn

De Trechterbekercultuur4000 tot 2700 v.Chr. vinden we ook op andere plekken op de kaart.

Bij het Boerbos bij Rolde staat een terrein geregistreerd met sporen van een nederzetting van de Trechterbekercultuur4000 tot 2700 v.Chr.. Dat is de zeldzame kant van deze cultuur: waar deze mensen woonden in plaats van waar ze hun doden neerlegden.

Op De Bloemakkers bij Gieten kwam een versierde wandscherf van de westelijke groep boven, uit het Midden-neolithicumca. 3350 tot 2750 v.Chr.Meer over deze periode, in een opgravingsveld waar de sporen doorlopen van het Laat-paleolithicumca. 30.000 tot 11.000 jaar geledenMeer over deze periode tot in de Midden-bronstijd1575 tot 1200 v.Chr.Meer over deze periode.

Op de Mandenberg op het Balloërveld werden in uitgestoven steilkanten scherven van de cultuur gevonden, naast vuursteen uit het Mesolithicumca. 9700 tot 5325 v.Chr.Meer over deze periode en Neolithicumca. 5325 tot 1900 v.Chr.Meer over deze periode.

En bij het Kreushaarveen bij Eext kwam trechterbekeraardewerk dat in de jaren tachtig was gevonden opnieuw in beeld toen het gebied werd onderzocht.

Op een hoge rug bij het Egelmeer op het Balloërveld leverden karteringen in de jaren zeventig een dertigtal vuursteenartefacten en scherven van de cultuur op – de droge kant van een natte laagte, en daarmee hetzelfde soort plek als de Mandenberg een kilometer noordelijker.

Bij Gasteren kwam het aardewerk boven bij het ontginnen van een heideveld in 1949, in dezelfde grond als een crematiegraf van duizenden jaren later en als vuursteen van duizenden jaren eerder. Wat daar bij welke laag hoorde is nooit vastgelegd; de ontginning haalde het door elkaar naar boven.

En in het Strubben-Kniphorstbos liggen twee beschermde terreinen waar amateurs bij karteringen in 1966, 1970 en 1986 trechterbekerscherven en wikkeldraadaardewerk opraapten. Die vondsten liggen tussen de hunebedden en de grafheuvels in – wonen en begraven op één terrein, in het enige archeologische reservaat van Nederland.

Kuiltjes in de dekstenen

Op twee van de dertien is iets aangebracht dat geen bouwkundige functie heeft: cupmarks, kleine ronde kuiltjes die met een steen in het oppervlak zijn geklopt. Op D16 bij Balloo zitten er zeven in een O-vorm op de zesde deksteen en nog drie op de derde; op D12 op de Kampakkers een rij van vijf, met twee losse ernaast. Ze komen ook voor op hunebedstenen in Denemarken en Sleeswijk-Holstein. Wie ze maakte, wanneer en waarom weet niemand – de Bronstijd1900 tot 800 v.Chr.Meer over deze periode wordt geopperd, maar dat is een gok, en bij D16 is bovendien niet zeker of die twee dekstenen nog op hun oorspronkelijke plaats liggen.

Drie kringen in het landschap

Wie alle vondsten van deze cultuur in Drenthe op één kaart legt, ziet volgens Jeanet Wiersma en Daan Raemaekers geen willekeur maar een indeling, en zij vergelijken die met de kringen die een steen in het water achterlaat.

In het midden ligt het dagelijks leven: de nederzettingen, op grond die licht genoeg was om te ontginnen. De tweede kring zijn de graven – de hunebedden, die bij voorkeur op diezelfde lichte grond liggen maar daarnaast gebonden waren aan de plek waar de grote keien lagen, en de vlakgraven. Daarmee markeren de hunebedlocaties de grens tussen het landschap van de levenden en dat van de doden. En de derde kring is het veen, en dat is het offerlandschap.

Dat veen bood niets: je kon er niet verbouwen, er waren geen grondstoffen, en het was gevaarlijk – je kon er verdwalen en verdrinken. En juist daar liggen de deposities. Aardewerk, runderhoorns, en op ongeveer zestig plaatsen bijlen. Van die bijlen is de argumentatie het aardigst: ze zijn langer dan bijlen uit nederzettingen, van uitzonderlijke kwaliteit, zonder enig gebruiksspoor, en ze dragen sporen van wrijving door zacht materiaal – ze waren dus in berkenbast of iets dergelijks gewikkeld voordat ze het veen in gingen. Een bijl uit een graf is korter, een bijl uit een nederzetting anders. Ze horen bij geen van beide, en dat maakt ze tot offergaven: gaven die uit handen van de dagelijkse wereld moesten blijven, en daarvoor is open water of veen de meest geschikte plek die er is.

Uit diezelfde periode stammen de twee oudste bekende veenwegen van Nederland, de Smeulbrandenweg en de Buinerweg, allebei tussen 3400 en 3100 v.Chr. Geen van beide verbindt twee droge plekken met elkaar, en vlak bij de Smeulbrandenweg lagen een runderhoorn en een bijldepot. Het zijn dus mogelijk geen wegen naar ergens, maar wegen naar een offerplek in het veen.

De dorpen die hier begonnen

Van alles wat over deze cultuur te zeggen valt, is dit de zin die het verst reikt: de geschiedenis van de meeste esdorpen reikt terug tot de tijd van de Trechterbekermensen. Niet de gebouwen, niet de namen, maar de plek en de indeling van het land eromheen.

De redenering loopt via de graven. In het stroomgebied van de Drentsche Aa tekenen de hunebedden en grafheuvels zich af als clusters op de droge ruggen, gescheiden door beekdalen: op de Hondsrug rond Anloo en Eext, op de Rolderrug rond Rolde, en verder bij Balloo, Gasteren, Loon en Tynaarlo. Elk cluster hoort bij een woongebied. Waar in zo'n gebied de sporen van bewoning zonder onderbreking doorlopen – Neolithicumca. 5325 tot 1900 v.Chr.Meer over deze periode, Bronstijd1900 tot 800 v.Chr.Meer over deze periode, IJzertijdca. 800 tot 12 v.Chr.Meer over deze periode, Romeinse tijd12 v.Chr. tot ca. 450 na Chr.Meer over deze periode, Vroege middeleeuwen450 tot 1050Meer over deze periode – staat aan het eind van die reeks een esdorp dat er nu nog is.

Voor deze kaart betekent het dat een hunebed twee dingen tegelijk is. Het is een graf uit het vierde millennium voor Christus, en het is het oudste bewijsstuk in de geschiedenis van het dorp waar je hem bezoekt.

Plekken van de Trechterbekercultuur op de kaart

Alle plekken per dorp en gebied →