Landschapssporen

Alle plekken

Taarlo

6 plekken

Taarlo is klein en ligt precies op een rand. Aan de westkant het beekdal van de Drentsche Aa, hier het Taarlose Diep, met groenlanden die te nat waren om te ploegen; aan de oostkant de hogere zandgronden met de es en daarachter de heide. Het dorp zelf ligt op de smalle strook ertussen, waar je droog woont en toch bij het water kunt. Alles wat op deze kaart in Taarlo staat, ligt op diezelfde overgang – en dat is geen toeval, maar de reden dat er iets te vinden is.

De omgeving van Taarlo op de topografische kaart van 1900
De omgeving van Taarlo op de kaart van 1900 – topotijdreis, Kadaster. De kaartknop hieronder opent dezelfde omgeving met de jaarschuif.

Bekijk Taarlo op de kaart →

Een naam die twee dorpen delen

Taarlo dankt zijn ouderdom aan één regel in een oorkonde uit 820: een bezitting in het dorp Arlo, in het landschap Threant. Op die regel is in 2023 de viering van twaalf eeuwen Taarlo gebouwd. Alleen staat er Arlo, en dat is ook de oudste vorm van Tynaarlo, vier kilometer westelijker. De twee namen zijn uit elkaar gegroeid – Taarlo uit te Arlo, Tynaarlo uit in Arlo – en welk van de twee dorpen de akte bedoelt, is nooit beslecht. De encyclopedie kiest voorzichtig voor Tynaarlo; de naamkunde heeft de akte sinds 1960 om beurten aan het ene en het andere dorp toegewezen.

Zeker is alleen de vorm waarin de naam in 1298 op schrift staat: Torlo. Dat is vier en een halve eeuw na de omstreden akte, en het is de oudste vermelding waar geen tweede dorp aan kan trekken.

Dat is voor een dorp een ongemakkelijke basis, maar het maakt de vraag interessanter dan het antwoord. Want los van welke plaats er in 820 werd bedoeld, wordt hier al veel langer gewoond.

Het dorp is jonger dan de bewoning

Een halve kilometer ten noordoosten van de kern lag in 1990 de omtrek van een boerderij uit de Romeinse tijd12 v.Chr. tot ca. 450 na Chr.Meer over deze periode in een bouwput, en het aardewerk dat erbij hoorde reikt terug tot de Late bronstijd1200 tot 800 v.Chr.Meer over deze periode. Dat is meer dan duizend jaar bewoning vóór de eerste keer dat iemand de naam opschreef. De archeologische monumentenkaart zegt van de dorpskern zelf alleen dat er mogelijk sporen van vroegere bewoning onder liggen – want onder een dorp dat er nog staat, graaft niemand.

De man die dit landschap in 1933 beliep, H. Bellen uit Assen, trok er een conclusie uit die nog steeds prikkelt. Hij zag dat het Oostersche Veld, ondanks zijn naam, ten noorden van Taarlo ligt en niet ten oosten. Zijn verklaring: die veldnaam is ouder dan het huidige dorp, en het oorspronkelijke Tarel lag westelijker, op de hoge eschgronden die nu nog Bergakkers heten. Vandaar bezien lag het veld wél in het oosten. Het huidige Taarlo zou dan pas rond 1000 tot 1200 zijn ontstaan, toen het grondwater zakte en de oude hoogte werd verlaten – hetzelfde patroon dat hij bij de Witter Esch bij Assen had gezien.

Bewezen is daar niets van. Maar het verklaart in één keer waarom de oudste sporen niet in het dorp liggen en de vreemdste plek erboven.

De börg die niemand kan dateren

Die vreemdste plek is de ringwal met gracht op het Oostersche Veld: honderdtien meter lang, met een poort, een bijwal en een put net buiten de omwalling. In 1933 haalde hij als Germaanse burcht vier landelijke kranten. In 1991 groef een archeoloog er een proefsleuf door en kon over aard noch ouderdom iets vaststellen. Op de monumentenkaart staat hij sindsdien als ongedateerde versterking, en op deze site draagt hij daarom geen enkel tijdlabel. Van alle plekken op deze kaart is dit degene waar het verschil tussen wat er ligt en wat we ervan weten het grootst is.

Een boogschutter, of een boerderij

Aan het Gastersche Diep, waar het beekdal het dorpsgebied raakt, raapten karteerders in de jaren zeventig en tachtig bijlen op, spitsjes, een kling met retouche, en een polsbeschermer. Bij elkaar is dat het gereedschap van een boogschutter, en volgens de registratie mogelijk de inhoud van één graf – maar datzelfde terrein staat er tegelijk in als bewoning uit het Neolithicumca. 5325 tot 1900 v.Chr.Meer over deze periode en misschien nog ouder. Graf of woonplaats: uit losse vondsten in geploegd land valt dat niet meer op te maken. Dezelfde onmacht als bij de börg, één laag dieper.

Te veel varkens in het bos

Een bos dat van iedereen is, wordt versleten door wie er het meest uithaalt, en daarom stond in de willekeuren van de buurschappen hoeveel varkens ieder in de eikelmast mocht drijven. In 1464 liep dat in Taarlo mis: er kwam een kwestie over overscharinge – te veel varkens op één bos. Klachten daarover zijn zeldzaam, wat erop wijst dat de regel meestal gewoon werd nageleefd; juist daarom is deze zaak het onthouden waard.

Het water dat bleef

De laatste twee plekken zijn de natte. Het Bolleveen en de veengaten van het Taarlose Veentje zijn ronde laagtes op de hoge grond – pingoruïnes uit de laatste ijstijd, of kommen die de wind heeft uitgeblazen; ook daar lopen de lezingen uiteen. Wat vaststaat is dat ze water vasthielden toen de rest droogviel, en dat er rond zulke laagtes vondsten liggen uit de oude en de Midden-steentijdca. 9700 tot 5325 v.Chr.Meer over deze periode. Op de hoogtekaart zijn ze het duidelijkst van alles wat Taarlo te bieden heeft: ronde kommen in een verder vlak landschap.

Het Bolleveen bij Taarlo
Foto: Bert van As – CC BY-SA 4.0 · Het Bolleveen bij Taarlo →

Houtskool in de rand van het dal

Tussen Taarlo en Oudemolen snijden het Taarlose en het Gastersche Diep hun dal in de zandgrond, met langs de oevers steilkantjes van een halve tot twee meter hoog. Die rand trok al mensen lang voordat er een dorp stond. Dat laat een booronderzoek zien dat RAAP in opdracht van de provinciaal archeoloog in dat dal deed. Het rapport verscheen in januari 2006. De onderzoekers kozen hun plekken op de hoogtekaart: steilkantjes en zandkoppen waar het droge dekzand tegen het natte dal aanligt. Op dertien van zulke plekken zetten ze samen 138 boringen, en op vrijwel alle zat houtskool. Vaak in de top van het dekzand, soms tot meer dan drie meter diep onder het veen dat er later overheen groeide.

Houtskool bewijst op zichzelf weinig. Een bosbrand na blikseminslag laat het ook achter. Het rapport sluit dat niet uit. In dekzand op de rand van een beekdal gaat het wel vaak om een haard of om afgebrande begroeiing, en daarmee om de eerste aanwijzing voor een kamp van jagers en verzamelaars.

Op drie hogere plekken tussen de twee diepen lag ook vuursteen aan de oppervlakte, schrabbers en afslagen. Bij twee daarvan, aan het Gastersche Diep, heeft de beek zich tegen de voet van de steilkant aan gevreten, en het afval van het kamp is daar waarschijnlijk meegenomen. De derde is een markante zandrug die in het Taarlose Diep uitsteekt. Aan de landkant lijkt een sloot gegraven die de rug van het plateau afsnijdt, misschien om er bij hoog water vee op te zetten. Wanneer, zeggen de boringen niet.

Het meeste belooft wat het minst opvalt. Op de westoever van het Taarlose Diep ligt een lage zandkop die helemaal onder een dun laagje veen is verdwenen. Er zit houtskool op de flanken en in het veen erboven, en onder veen blijven hout en bot beter bewaard. Het rapport houdt een slag om de arm, omdat die veenlaag dun is en de kop dus pas laat door het veen kan zijn overgroeid. Helemaal in het noorden, net voorbij de plek waar de twee diepen samenkomen, ligt een zijdalletje met houtskool in de venige vulling. Het rapport noemt het uniek in dit deel van het onderzoek.

Het houtskool is in het rapport niet gedateerd. Het onderzoek stelt vast dát er iets ligt, niet wanneer het er kwam.

Wat je ziet als je gaat

Weinig, eerlijk gezegd, en dat is hier het punt. De huisplattegrond ligt onder een ligboxstal. De ringwal ligt onder een smalle bosstrook, waar het hoogtemodel niets van maakt omdat bosbodems ruis geven. Van de akte van 820 is niets over dan een vertaling. Alleen de veentjes liggen er nog als vorm in het land. Taarlo is een dorp waar het bewijs voor twaalf eeuwen bijna helemaal uit papier en uit de bodem komt, en bijna niet uit het zicht.

Bekijk Taarlo op de kaart →