Landschapssporen

De tijdlijn

Mesolithicum

Periode·de midden-steentijd, vanaf ca. 9700 v.Chr. tot het Neolithicum·20 plekken

Rond 9700 v.Chr. eindigde de laatste ijstijd en begon het Holoceen, de warme periode waarin we nog steeds leven. Het landschap veranderde daarmee ingrijpend: van een open berken-dennenbos naar een gemengd bos met es, eik, linde, iep, hazelaar en els. De fauna ging mee. Het rendier verdween uit onze streken en zijn plaats werd ingenomen door bosdieren als edelhert, ree, wild zwijn en oeros.

De Midden-steentijdca. 9700 tot 5325 v.Chr. is de periode van de laatste jagers-verzamelaars, tussen het Laat-paleolithicumca. 30.000 tot 11.000 jaar geledenMeer over deze periode en het Neolithicumca. 5325 tot 1900 v.Chr.Meer over deze periode. Ze woonden niet op één plek maar trokken door het landschap, en kwamen terug naar plaatsen die praktisch en vertrouwd waren.

Het Kienveen, en het grafveld dat de ploeg half opat
Foto: Bert van As – CC BY-SA 4.0 · Het Kienveen, en het grafveld dat de ploeg half opat →

Dezelfde koppen, opnieuw gebruikt

Op deze kaart valt vooral op dat het om dezelfde plekken gaat als in de periode ervoor. De zandruggen langs de Hunze bij Nieuw-Annerveen en Spijkerboor dragen sporen uit het Laat-paleolithicumca. 30.000 tot 11.000 jaar geledenMeer over deze periode én het Mesolithicumca. 9700 tot 5325 v.Chr.. Op Exterkoele bij Eext zijn bij één kartering stukken vuursteen uit beide perioden gevonden. Op de Rug van Rolde gaat het om de overgang tussen die twee, en bij het Taarlose Veentje op het Balloërveld om laat-paleolithicum en de vroege Midden-steentijdca. 9700 tot 5325 v.Chr..

Dat is geen toeval van de vondstomstandigheden. Een droge kop in een nat dal blijft een droge kop in een nat dal, en zolang het landschap eromheen niet verandert, blijft die plek aantrekkelijk.

Hoe dun het bewijs eronder is, laat de es van Schipborg zien. Van de drie terreinen die daar naast elkaar staan ingeschreven, hebben er twee niets anders opgeleverd dan mesolithisch vuursteen, opgeraapt bij één kartering in 1986. Geen opgraving, geen structuur, alleen wat er bij het lopen over een geploegde akker bovenop lag. In het Rebroek, de eenzaamste vindplaats van deze kaart, houdt de registratie het zelfs bewust op mesolithisch én/óf neolithisch: zonder grondsporen eromheen is vuursteen niet aan een periode vast te pinnen.

Waar het duizenden jaren later opnieuw gebeurde

Twee plekken maken dat mechanisme zichtbaar over een veel langere tijd. In de Hooilanden liggen op één deels ontzande rug mesolithisch vuursteen en een scherf van een lappenschaal uit de Late bronstijd1200 tot 800 v.Chr.Meer over deze periode – dezelfde droge kop, duizenden jaren later opnieuw gebruikt. Bij het Kienveen kwamen naast de grondsporen van een grafveld ook mesolithisch vuursteen en een pijlspits uit de late bronstijd boven.

Op de Mandenberg op het Balloërveld gaat het nog verder: in uitgestoven steilkanten werd vuursteen uit het Mesolithicumca. 9700 tot 5325 v.Chr. en het Neolithicumca. 5325 tot 1900 v.Chr.Meer over deze periode gevonden, plus scherven van de Trechterbekercultuur4000 tot 2700 v.Chr.Meer over deze periode, en in de heuvels zelf begravingen tot in de Midden-bronstijd1575 tot 1200 v.Chr.Meer over deze periode. Eén plek, vier perioden.

Het bos waarin ze liepen was geen donker oerbos

Het landschap van deze jagers valt onder het Atlanticum, tussen ruwweg achtduizend en vijfduizend jaar geleden, en dat wordt meestal voorgesteld als een ondoordringbaar woud. De landschapsbiografie van de Drentsche Aa noemt dat met zoveel woorden een misvatting, en gebruikt als referentie het oerbos van Białowieża in Oost-Polen – een gebied dat op dezelfde ondergrond ligt als dit: een keileemvlakte met dekzand erover en met veen opgevulde laagtes.

Wat daar staat is een mozaïek van bostypen die niet allemaal even oud zijn. Loofbomen worden er twee- tot vierhonderd jaar, halen veertig meter hoogte en soms ruim twee meter dikte op borsthoogte. Per honderd hectare vallen er jaarlijks tweehonderd tot vierhonderdvijftig bomen om, en twee procent van de bosbodem bestaat uit wortelkuilen: gaten en hopen van omgewaaide stammen. Er ontstaan muren van dood hout, tien tot twintig meter lang en tot zeven en een halve meter hoog. Omgevallen bomen liggen als bruggen over beken en moerassen.

Eén getal maakt het verschil met nu voelbaar. In dat referentiegebied ligt tussen de 87 en 160 kubieke meter dood hout per hectare; in het Nederlandse bos van vandaag is dat 6,4 kubieke meter – en dat is al gestegen van 3,6. Wie hier door het bos van de Midden-steentijdca. 9700 tot 5325 v.Chr. liep, kwam dus vooral hout tegen dat lag.

Dat het klimaat toen anders aanvoelde, blijkt uit wat er leefde. Stuifmeel- en botvondsten wijzen op maretak, de Europese moerasschildpad, de kroeskoppelikaan en de flamingo: soorten die erop duiden dat het klimaat hier trekjes had van een Centraal-Europees landklimaat.

En het beekdal was helemaal geen bos

Voor het dal zelf gold lang het omgekeerde beeld. Halverwege de vorige eeuw namen archeologen aan dat het beekdal met oerbos was begroeid toen zich hier mensen gingen vestigen, en ook in publicaties over de bewoningsgeschiedenis van de Drentsche Aa werd gerekend met elzen- en essenbossen in het dal. In de jaren zestig hebben Oost-Duitse ecologen dat onderuit gehaald: Succow bestudeerde tussen 1968 en 1986 de venen in beekdalen als de Peene, de Trebel en de Recknitz, en liet zien dat de els voor de veengroei nauwelijks een rol speelde. Resten van elzen en andere bomen vond hij alleen langs de randen van de dalen, of in moerassen met minder dan een halve meter veen.

Wat er dan wél stond was boomloos en vrijwel onbegaanbaar: zeggen en bladmossen. Uit de plantenresten in het veen komen ronde zegge, draadzegge, snavelzegge en paardenhaarzegge, en in Drenthe waarschijnlijk ook de noordse zegge, die hier algemeen is in moerassen die door grondwater worden gevoed. Eén van die soorten is nog binnen mensenheugenis verdwenen: de slijkzegge stond tot omstreeks 1980 in de bovenloop van het Andersche Diep, in het reservaatje de Hoornsche Bulten bij Rolde, en is daarna niet meer gezien.

Hoe zo'n dal aanvoelde staat in een verslag dat Succow aanhaalt, van een Deense inval in Noordoost- Duitsland in 1171. Het leger van koning Waldemar probeert een beekdal over te steken en komt vast te zitten in een moeras van een dunne grasmat waar het voetvolk doorheen zakt, met daaronder modderbulten, plassen en moerasbrei. De bepakking en de wapens gaan van de paarden af, de dieren worden aan de teugel naar binnen geleid, en dan zakken paarden en mannen weg; om de dieren eruit te krijgen en zelf veilig te komen moeten de mannen zich aan de manen vasthouden. "Bijna nog nooit was de Deense kracht zo op de proef gesteld."

Dat is het dal dat de mensen van deze kaart aan hun voeten hadden. Ze zaten er niet in; ze zaten op de droge koppen ernaast.

En wat we hebben opgeraapt is niet wat er lag

Bij bijna elke mesolithische plek op deze kaart staat hetzelfde soort zin: bij een kartering is vuursteen gevonden. Dat is het bewijs, en het is scheef – niet een beetje, maar systematisch, en het is voor precies dit gebied vastgesteld. Bij een inventarisatie van oppervlaktecollecties in het stroomgebied van de Drentsche Aa ontbreken artefacten kleiner dan tien tot vijftien millimeter in vrijwel alle verzamelingen, of ze zijn sterk ondervertegenwoordigd.

Daar zijn drie oorzaken voor, en geen ervan is nog te repareren. De eerste is dat er selectief wordt verzameld: de nadruk ligt op grotere, herkenbare stukken, en het kleine spul ontsnapt aan de aandacht of wordt gewoon niet opgeraapt. De tweede is dat grotere en zwaardere artefacten een grotere kans hebben om gevonden te worden en na het ploegen ook vaker echt bovenop liggen. En de derde zit in de bodem zelf: door de activiteit van wormen, mollen en muizen zakken kleine artefacten weg, en wormen brengen jaarlijks één tot tien millimeter sediment naar de oppervlakte, waardoor het kleine bedekt raakt.

Dat is meer dan een slag om de arm, want juist het kleinste materiaal is kenmerkend voor deze periode. De pijlbewapening van het Mesolithicumca. 9700 tot 5325 v.Chr. bestaat uit microlieten, en daaronder zitten driehoekjes van zes tot dertien millimeter. Waar bij een opgraving met een maaswijdte van één millimeter is gezeefd, bleek negentig procent van de werktuigen uit zulke projectielpunten te bestaan. Wat wij van deze kaart kennen als "vuursteen, gevonden bij een kartering" is dus de grove fractie van iets fijners.

En er zit een tweede scheefheid in de kaart zelf: niet overal is even hard gezocht. Het bestand van ruim zevenhonderd vindplaatsen waarop het onderzoek in dit stroomgebied leunt, komt grotendeels uit de collecties van twaalf amateurarcheologen. In sommige delen van het gebied zijn meerdere zoekers actief, soms op dezelfde akker, en in andere delen wordt nauwelijks gezocht. Daar komt bij dat bos, weiland en bebouwing archeologisch bijna leeg blijven omdat je er niets kunt zien liggen, en dat veen alles afdekt. Een lege plek op deze kaart betekent dus drie dingen tegelijk, en welke ervan het is, is per plek niet te zeggen: er lag niets, er is niets bewaard, of er heeft niemand gekeken.

Er is nog een derde scheefheid, en die zit in wat er beschermd is. Vuursteenvindplaatsen vallen in het landschap niet op – geen heuvel, geen wal – en krijgen daardoor weinig aandacht: het aantal beschermde monumenten uit de eerste millennia van onze bewoningsgeschiedenis is op de vingers van één hand te tellen, tegenover enkele duizenden beschermde objecten uit de periode 1850-1950. Alle afzonderlijke vindplaatsen op de monumentenkaart van Drenthe waarderen is bovendien ondoenlijk. Wie zich afvraagt waarom deze periode op onze kaart zoveel dunner is dan de grafheuvels en de hunebedden: dat is niet omdat er minder was.

Eén waarneming keert dat om, en die is aardig. Op mesolithische vindplaatsen in de beekdalen komen regelmatig pijlpunten voor met oppervlakteretouche – een type dat pas veel later in gebruik raakt. Plekken die in de Midden-steentijdca. 9700 tot 5325 v.Chr. kampplaats waren, lijken in het Neolithicumca. 5325 tot 1900 v.Chr.Meer over deze periode en daarna vooral als jachtgrond te zijn blijven dienen. Dezelfde droge kop, maar niet meer om te wonen.

En daarom zijn de natte plekken zoveel meer waard dan de droge. Op de hogere zandgronden is onverkoold organisch materiaal volledig verdwenen – geen dierenbot, geen gewei, geen plantenresten. Vindplaatsen die door latere lagen zijn afgedekt, door veen, dekzand, klei of een esdek, bewaren dat wél. Dat is de reden dat de Hiltophoeve in het Hunzedal en het Gietsenveentje bij Eext op deze kaart zwaarder wegen dan hun vondstlijstje doet vermoeden.

Wat je ervan ziet

Niets, is het eerlijke antwoord. Er is uit deze periode in dit gebied geen enkel zichtbaar monument: geen heuvel, geen wal, geen steen. Wat er is, zit in de bodem, en de reden dat het er nog zit is bijna altijd dezelfde: er is niet diep geploegd, of er is veen over gegroeid.

Op de hoogtekaart kun je wel zien wat deze mensen zágen. Zet het local relief model aan in het Hunzedal en de reeks flauwe ruggen tussen de vlakke laagtes komt eruit. Dat is het landschap waarin ze kozen waar ze gingen zitten.

Plekken uit het Mesolithicum op de kaart

Alle plekken per dorp en gebied →