Landschapssporen

Eext

Het Gietsenveentje, offerveen van de hoogste waarde

Plek met een verhaal·PrehistorieBekijk de kaart

Vlak bij de kruising van de N33 en de N34 ligt het Gietsenveentje, een pingoruïneEen ronde laagte, soms met een lage wal eromheen. Het is wat over is van een heuvel met een kern van ijs uit de laatste ijstijd: toen het ijs smolt, zakte de heuvel in. Vaak staat er water in of is hij met veen gevuld.Alle begrippen van ongeveer 2,5 hectare. Het is een laagte die ontstond nadat een ijslens uit de laatste ijstijd was gesmolten. In de kom verzamelden zich water, gyttjaFijne, donkere modder van plantenresten en algen die op de bodem van een meertje bezinkt. In veel pingoruïnes ligt een laag gyttja onder het veen: uit de tijd dat er nog open water stond.Alle begrippen en veen, en daardoor kon organisch materiaal er duizenden jaren goed bewaard blijven. De laagte is inmiddels dichtgegroeid. Het gebied bestaat nu uit moerassig bos, dus bovengronds valt er weinig te zien, en onder de begroeiing ligt een bodemarchief dat teruggaat tot de laatste ijstijd.

Het veentje staat geregistreerd als archeologisch monument met AMK-nummer 16631 en geldt als een van de belangrijkste offerveentjes van deze streek. Een offerveen is een natte laagte waarin mensen in het verleden voorwerpen achterlieten: aardewerk, stenen werktuigen, houten voorwerpen, wielen en dierenhoorns. Dat kan bewust zijn gebeurd. Van elk afzonderlijk voorwerp is zelden hard te maken waarom het in het veen terechtkwam.

Hier gaat het om een rechterhoorn van een mannelijk rund, een huisrundstier of os, aangetroffen op 1,75 meter diepte in een grenslaag van bruin veen met daaronder nog bijna dertig centimeter zwart veen. De koolstofdatering plaatst hem in het Laat-neolithicumca. 2800 tot 1900 v.Chr., de enkelgraf- en klokbekercultuurMeer over deze periode. Dat is de Enkelgrafcultuur2800 tot 2400 v.Chr.Meer over deze periode. Het rund leefde dus in de tijd waarin boeren zich op de hogere gronden van de Hondsrug vestigden en het omliggende landschap in gebruik namen. Of de hoorn een bewuste depositieHet bewust achterlaten van voorwerpen, vaak in een veentje of in water: een pot, een bijl, een runderhoorn. Meestal denkt men aan een offer. Archeologen gebruiken dit neutrale woord omdat de bedoeling zelden te bewijzen is.Alle begrippen was, is niet uit te maken.

Alleen staat hij niet. Uit het Drentse veen zijn nog drie runderhoorns bekend, gevonden bij Vries in 1887, bij Weerdingermond in 1915 en bij Odoorn in 1932, en ook dat zijn huisrunderen. Het argument dat daarbij wordt gebruikt is simpel en geldt hier net zo goed. Veen is geen plek waar je runderen houdt, dus zijn die hoorns niet achtergebleven van dieren die er zijn gestorven. Ze zijn er neergelegd, en de gedachte is dat het om vruchtbaarheid van de veestapel ging.

Wat dit veentje in de vakliteratuur bijzonder maakt is niet wat erin is gelegd. Het is wat erin is blijven zitten, en dat is een geluk bij een ongeluk. Om te zien wanneer de eerste boeren hier het bos opruimden en graan gingen verbouwen, moet je in het stuifmeel kijken, naar de omslag die landnamHet moment waarop de eerste boeren in een streek het bos openbraken voor akkers en vee. Archeologen zien het in het stuifmeel uit een veen of meertje: het aandeel bomen neemt af en planten van open, betreden grond verschijnen, zoals smalbladige weegbree.Alle begrippen heet. In vrijwel elke andere pingoruïne van Drenthe zit dat niveau in het veen, en juist dat veen is in de negentiende en twintigste eeuw als turf in de kachels van de omwonenden verdwenen. Hier niet. Hier speelt de omslag zich af in de gyttja, de modderige meerafzetting onderin, en die heeft niemand ooit uitgegraven. Op 11 april 1974 werd het veentje voor het eerst palynologisch onderzocht, en sindsdien is het een vaste plek in het onderzoek naar de eerste Drentse landbouw.

Daar begon de puzzel. Het landnamniveau is te herkennen aan smalbladige weegbree (Plantago lanceolata), een plant van betreden en open grond die verschijnt zodra mensen het bos openbreken. Een eerste koolstofdatering van dat niveau kwam uit op 4795 jaar vóór heden, en dat leek keurig te passen bij de vroegste trechterbekerboeren. Toen werden negen monsters uit één boorkern gedateerd en de acht bruikbare daarvan tegen de jaarringkalender gelegd. Die techniek heet wiggle-matching en schuift een reeks dateringen als geheel op de curve. De laag bleek tussen ongeveer 3650 en 3550 voor Christus te liggen. De Trechterbekercultuur4000 tot 2700 v.Chr.Meer over deze periode begint in Noord-Nederland pas rond 3400 voor Christus.

Daarmee leken de eerste boeren hier ouder dan de cultuur waaraan ze worden toegeschreven, en dan wist niemand wie ze waren. Zulke sporen zijn zeldzaam. Neolithische bewoning van vóór de vroegste trechterbekerfase is in Noord-Nederland zeer schaars, en de weinige vondsten die die kant op wijzen horen bij de Swifterbantcultuur. Die is met ruwweg 4300 tot 4000 voor Christus juist wéér te oud. Uit de omgeving van Eext is één losse vondst bekend die erbij zou kunnen horen, een zogenoemde Rossener Breitkeil, maar die is niet met deze landnam te verbinden. De onderzoekers sluiten hun stuk uit 1991 dan ook af met de zin dat deze vroege landnam voorlopig meer vragen oproept dan er beantwoord worden.

Drie jaar later werd het nog ingewikkelder, en wel op een manier die iets over de bodem zelf zegt. Bij nieuw onderzoek werden dertig boringen gezet en werd er midden in het veentje een sleuf gegraven tot op de bodem van de pingo, vier meter zestig diep. Daaruit bleek dat het landnamniveau helemaal niet op één diepte ligt. Op de ene plek zit het in veen op tweehonderdvijfenzestig centimeter, dertig meter verderop in gyttja op driehonderdzeventig. Ruim een meter verschil. De verklaring is dat de eerste plek dicht bij de oever van het voormalige meertje lag, waar de veenvorming meer dan tweeduizend jaar eerder begon dan in het diepste midden, dat pas veel later verlandde. Wie hier één boring zet, kan er dus ver naast zitten.

De titel van dat tweede artikel vraagt of het Gietsenveentje een unicum of een probleemgeval is. Het is allebei. Vooral het eerste. Ondanks die verschillen ligt het landnamniveau hier op de meeste plaatsen in goed te bestuderen gyttja, en waar het in veen zit is dat veen in een groot deel van het midden nooit afgegraven. Opvallend genoeg houdt die tweede onderzoeker het er in 1994 nog steeds op dat de landnam het werk van de vroegste trechterbekerboeren kán zijn. De conclusie van drie jaar eerder, dat het daarvóór moet liggen, neemt hij niet over. De specialisten zijn het hier dus niet over eens geworden.

Een van de schrijvers van 1991, J.N. Lanting, kwam er later zelf op terug. Met J. van der Plicht wees hij er in 1999-2000 op dat de wiggle-matching ervan uitging dat de dateringen van de gyttja niet stelselmatig te oud uitvallen. Juist dat leek hun steeds waarschijnlijker. Het water kan oude koolstof hebben bevat, bijvoorbeeld uit oude afzettingen die erin vergingen. Met een correctie van ongeveer 200 jaar op de koolstofouderdom komt de landnam rond 3400 voor Christus uit, en dan valt hij samen met het begin van de trechterbekerbewoning. Omdat er rond Gieten en Eext niets wijst op bewoning van vóór die tijd, noemen ze een duidelijke landnam vóór de Trechterbekercultuur4000 tot 2700 v.Chr.Meer over deze periode uiterst onwaarschijnlijk.

Nog één ding over de naam. Het veentje heeft in de literatuur ook Gietense Veen geheten, en op oudere stafkaarten staat Gieterveentje. De juiste vorm is Gietsenveentje, naar het aangrenzende akkercomplex De Giets. Diezelfde naam staat in de aanwinstenlijst van het museum in Assen over 1943, bij een hoornpit die hier is gevonden. De twee bronnen noemen dat dier niet hetzelfde: de registratie hierboven houdt het op een huisrundstier of os, het artikel uit 1991 spreekt van een oeros. Of het om dezelfde hoorn gaat en wie er gelijk heeft, is hier niet uitgemaakt.

Bij de aanleg van het ongelijkvloerse kruispunt is de Hondsrug hier over ongeveer 500 meter doorsneden, wat een uitzonderlijk kijkje in de opbouw van de rug opleverde. Ook kwamen er vondsten uit de IJzertijdca. 800 tot 12 v.Chr.Meer over deze periode boven. Het veentje zelf bleef bewaard, maar niet ongeschonden. Op het terrein ligt een stort van puin en sloopafval, tot ruim 1,5 meter boven het maaiveld. Het is van vóór 1987; wanneer en door wie het daar is neergelegd, is onbekend. De grond eronder en eromheen is zwaar vervuild met lood en zink. Rond 2013 woog een overleggroep van de provincie en Staatsbosbeheer af of het afval eruit moest, en besloot van niet: afgraven zou de natuur nauwelijks beter maken en het aardkundige en archeologische archief juist aantasten. Het stort ligt er dus nog, als een bult in het bos.

En de weg is nog niet klaar met het veentje. De provincie werkt aan een fly-over over het verkeersplein. In de inpassingsvisie wordt aanbevolen die ook aan de zuidkant op kolommen te zetten, zodat er richting het Gietsenveentje meer ruimte ontstaat. Naast een drukke weg ligt nu een stil bos, met een diepe en natte bodem eronder.

Bekijk deze plek op de kaart →

Op de achtergrond: de luchtfoto van deze plek (PDOK).

Gegevens

Ligging
53.00804, 6.74802
Gebied
Eext
Cultuur
Enkelgrafcultuur
Zekerheid van de ligging
hoog

In de buurt van deze plek

  1. Woonerf OV-knooppuntBij het transferium van Gieten is in 2010 een woonerf uit de Romeinse tijd opgegraven, met twee huisplattegronden die elkaar overlappen.240 m
  2. Rotonde N33/N34Bij de aanleg van Verkeersplein Gieten lag de Hondsrug in 2010 over ongeveer vijfhonderd meter in dwarsdoorsnede open.300 m
  3. Crematiegraven EexterwegBij rioolwerk aan de Eexterweg in Gieten kwamen in 2012 twee crematiegraven uit de ijzertijd tevoorschijn, met een potje en een bronzen ketting.330 m
  4. Molenplek MolenveenBij het Molenveen aan de weg naar Gieten stonden twee molens na elkaar: de eerste brandde in 1859 af, de tweede maalde tot 1925.520 m
  5. Duplexwoningen GietenAan de Molenstraat in Gieten bouwde de gemeente in 1950 vijf duplexwoningen rond een groene driehoek: twee gezinnen per huis, als antwoord op de woningnood.930 m
  6. Molen De HazewindDe Hazewind uit 1833 maakte Gieten onafhankelijk van de molens in Eext en Gasselte, en is als enige uit die molenketen overgebleven.960 m
  7. Oorlogsgraven GietenOp de begraafplaats van Gieten liggen zeven Britse oorlogsgraven van één bemanning: alle zeven van 7 Squadron, gestorven op 21 oktober 1943.1,0 km
  8. Boerenbruiloft 1927Op 28 september 1927 werd op de Brink van Gieten een Drentse boerenbruiloft gespeeld voor zo'n 180 congresgangers; er trouwde niemand.1,0 km
  9. 11 grafheuvels ZwanemeerIn het Zwanemeerbos bij Gieten liggen elf grafheuvels op een dekzandrug, in 1993 ontdekt en herkend als brandheuvels uit de ijzertijd.1,0 km
  10. 26 grafheuvels ZwanemeerIn het Zwanemeerbos liggen zesentwintig brandheuvels uit de ijzertijd, pas in 1993 ontdekt; de Oude Groningerweg slingert er dwars doorheen.1,1 km

Hemelsbreed gemeten, van dichtbij naar ver. Verschuif de band naar rechts voor de volgende.