Landschapssporen

De tijdlijn

Enkelgrafcultuur

Cultuur·2800 tot 2400 v.Chr.·binnen het Neolithicum·6 plekken

De Enkelgrafcultuur2800 tot 2400 v.Chr. volgt op de Trechterbekercultuur4000 tot 2700 v.Chr.Meer over deze periode en betekent een breuk met haar. Waar de hunebedbouwers hun doden gezamenlijk in een stenen kamer bijzetten, begroef deze cultuur ze individueel, met eigen grafgiften, onder een eigen heuvel. Het Geheugen van Drenthe dateert haar tussen 2800 en 2400 v.Chr. en noemt haar een regionale variant van een veel grotere groep die zich van Scandinavië tot in Midden-Europa uitstrekte, de battle axe cultures. Akkerbouw en veeteelt vormden de basis van het bestaan.

Vroeger heette ze de standvoetbekercultuur, naar het aardewerk. In oudere literatuur staat ze nog onder die naam.

De Ketenberg: een graf dat de cultuur zelf laat zien

Bij Eexterhalte liggen twee grafheuvels; de oostelijke heet de Ketenberg. A.E. van Giffen groef hem in 1927 open. In de oudste fase lag één graf, en daar lagen vier dingen bij: een standvoetbeker, een stenen hamerbijl, een vuurstenen bijl en een kling.

Dat is deze cultuur in één vondst: één persoon, eigen bijgaven, eigen heuvel. De hamerbijl hoort bij de battle axe-traditie waar de cultuur deel van uitmaakt, en de standvoetbeker is het aardewerk waaraan ze haar oude naam te danken heeft.

Het Gietsenveentje: een hoorn op 1,75 meter diepte

De tweede plek is van een heel andere orde. Het Gietsenveentje bij Eext is een pingoruïneEen ronde laagte, soms met een lage wal eromheen. Het is wat over is van een heuvel met een kern van ijs uit de laatste ijstijd: toen het ijs smolt, zakte de heuvel in. Vaak staat er water in of is hij met veen gevuld.Alle begrippen die met gyttjaFijne, donkere modder van plantenresten en algen die op de bodem van een meertje bezinkt. In veel pingoruïnes ligt een laag gyttja onder het veen: uit de tijd dat er nog open water stond.Alle begrippen en veen is dichtgegroeid, en een van de belangrijkste offerveentjes van dit gebied. Op 1,75 meter diepte zat daarin de rechterhoorn van een mannelijk rund, een stier of een os, ingesloten in de grens tussen bruin en zwart veen – onder die grens lag nog bijna dertig centimeter veen.

De koolstofdatering plaatst die hoorn in het Laat-neolithicumca. 2800 tot 1900 v.Chr., de enkelgraf- en klokbekercultuurMeer over deze periode, in de periode van de Enkelgrafcultuur2800 tot 2400 v.Chr.. Waarom hij in het veen terechtkwam is onbekend: een bewuste depositieHet bewust achterlaten van voorwerpen, vaak in een veentje of in water: een pot, een bijl, een runderhoorn. Meestal denkt men aan een offer. Archeologen gebruiken dit neutrale woord omdat de bedoeling zelden te bewijzen is.Alle begrippen is aannemelijk, maar een andere verklaring is niet uit te sluiten.

En op het landgoed: een heuvel met beker, en een graf zonder heuvel

Op het Galgwanderveen bij Eext ligt een grafheuvel die faseEen periode in het gebruik van een plek die archeologen in de grond kunnen onderscheiden. Een grafheuvel die in twee fasen is opgeworpen, kreeg eerst een graf met een heuvel, en later een tweede graf waarvoor de heuvel werd opgehoogd.Alle begrippen is opgeworpen, en de oudste daarvan valt in de enkelgrafperiode; Van Giffen onderzocht hem in 1937.

Bij Landgoed Terborgh onder Anloo is het omgekeerde het geval. Daar kwam in 1958 bij grondwerkzaamheden een volledige standvoetbeker boven, hoogstwaarschijnlijk uit een vlakgrafEen graf zonder heuvel erboven: de dode werd in een kuil in de vlakke grond begraven. Zo'n graf is van bovenaf niet te zien en wordt meestal bij toeval gevonden.Alle begrippen dat bij datzelfde werk is vernield. Een vlakgraf heeft geen heuvel en geen steen: het is alleen te vinden door er bij toeval op te stuiten.

Een paar honderd meter verderop, in het Evertsbos op datzelfde landgoed, ligt de tegenhanger ervan. Van de acht grafheuvels daar bleek er één in twee fasen opgeworpen, met in het oudste graf opnieuw zo'n beker en daarboven een heuvel van plaggenStukken heide- of grasgrond met de wortels erin. Ze werden gestoken, in de stal onder het vee gelegd en met de mest erin naar de akkers gebracht.Alle begrippen. Van Giffen groef hem in 1937 aan zonder er iets over vast te leggen; wat we ervan weten komt uit de registratie, niet uit een verslag.

Hoe ze in het graf lagen

Van geen enkele cultuur op deze kaart is zo precies bekend hóe de doden werden neergelegd. De landschapsbiografie van de Drentsche Aa vat het samen: de man lag op zijn rechterzij met het hoofd in het westen, de vrouw op haar linkerzij met het hoofd in het oosten. Allebei keken ze daardoor naar het zuiden. De knieën waren opgetrokken in een hurkhouding.

Dat je dat weet is een klein wonder, want botten overleven dit zand niet. Wat er soms wél overblijft is een lijksilhouet: een vage, donkere verkleuring in het zand waar het lichaam heeft gelegen, uitgeloogd tot niet meer dan een schaduw met de omtrek van een mens. Bij Eext, bij Anloo en bij Borger zijn ze aangetroffen. Wie zo'n silhouet opgraaft ziet geen skelet maar een vlek – en toch is daaruit de houding, de richting en soms het geslacht af te lezen.

De grafgiften wijzen bovendien ver over de streek heen. In graven bij Anloo lagen dolken van vuursteen uit Le Grand-Pressigny in Midden-Frankrijk, achthonderd kilometer hiervandaan. Op deze kaart staan twee van die Franse vondsten los op de periodepagina, bij de Kleine Spelde en op de Esch van Schipborg; dat ze in dít verband thuishoren maakt ze een stuk minder toevallig. Iemand die hier werd begraven kreeg iets mee dat via handel of ruil een halve Noordzeekust had afgelegd.

Waar ze woonden, en waarvan

Van hun graven weten we meer dan van hun huizen. In het droge zand van dit plateau vergaat vrijwel al het organische materiaal, en een nederzetting laat hier weinig meer na dan paalgaten en scherven. Wat we wel hebben is een voorkeur. S.-J. Dresscher zette voor het stroomgebied van de Drentsche Aa op een rij waar de vindplaatsen uit het Laat-neolithicumca. 2800 tot 1900 v.Chr., de enkelgraf- en klokbekercultuurMeer over deze periode liggen: op hoge, droge dekzandkoppen en op de zanden langs de rand van de keileemEen taaie laag van klei, zand en stenen die het landijs in de voorlaatste ijstijd heeft achtergelaten. Water zakt er slecht doorheen. Waar hij dicht onder de oppervlakte ligt, blijft de regen erop staan: in laagtes ontstonden zo veentjes en vennen, en de grond erboven bleef lang nat. Waar hij ontbreekt, zakt het water in het zand weg.Alle begrippen, en vrijwel altijd met een beekje of een ven in de buurt. Dat patroon wijkt nauwelijks af van dat van de hunebedbouwers voor hen, en het verandert in de Vroege bronstijd1900 tot 1575 v.Chr.Meer over deze periode ook niet. De nederzettingen lagen op de overgang van bos naar heide, en schoven af en toe een eind langs die bosrand op.

Het landschap eromheen was toen al mensenwerk. Door kappen en branden nam de vruchtbaarheid van de grond af, op de dekzandgronden won de heide terrein, en alleen de keileemplateaus stonden nog grotendeels in het bos. In de beekdalen stond elzenbroekbos.

Over het eten is weinig bekend, want bot blijft hier niet bewaard. Uit gebieden waar dat wel kan, is bekend dat de boeren van de Enkelgrafcultuur2800 tot 2400 v.Chr. naast hun vee nog jaagden op bever, eland,ree, bruine beer en oeros. Bij de hunebedbouwers kwam toen al 80 tot 90 procent van het vlees van gedomesticeerde dieren, dus de jacht was bijzaak geworden. Vissen leverde in zulke beken weinig op. Een beek van 2 meter breed en 5 kilometer lang is één hectare water, goed voor een kilo of 60 vis, en met een fuik die de hele beek afsluit is dat binnen een dag weggevangen.

Zes plekken, drie soorten bewijs

De Ketenberg, het Galgwanderveen en de heuvel in het Evertsbos tonen hoe deze mensen hun doden behandelden, met graven onder een eigen heuvel. Landgoed Terborgh toont dat lang niet elk graf er een kreeg. En het Gietsenveentje toont wat ze in het landschap achterlieten buiten hun graven om, met een vondst die alleen bewaard kon blijven doordat hij in het veen zakte.

Nederzettingen uit deze cultuur staan niet op deze kaart, en dat past bij wat de encyclopedie erover zegt: van de omvang en vorm van de nederzettingen in Noord-Nederland is vrijwel niets bekend. Over het dodenbestel weten we in Drenthe juist wel het een en ander – en dat is precies wat hier ligt.

Alle plekken per dorp en gebied →