Landschapssporen

Balloërveld

Romeinse muntschat in het beekdal

Plek met een verhaal·Later gebruik

Romeinse muntschat in het beekdal
De munten A en B uit de schat van Balloo, elk met voor- en keerzijde, getekend voor de Drentsche Volksalmanak van 1845. A draagt het opschrift IMP M AVREL ANTONINVS AVG, een denarius van Marcus Aurelius; B is DIVA FAVSTINA. Van de ruim tweehonderdvijftig munten die naar de smeltkroes gingen zijn dit twee van de weinige die op papier bewaard bleven. · Foto: Uit: L. Oldenhuis Gratama, Drentsche Volksalmanak 9 (1845), tegenover blz. 186; reproductie uit Paleo-aktueel 22 – Publiek domein: gravure uit 1845

Op 20 april 1839 werd in het dal van het Rolderdiep bij Balloo een grote Romeinse muntschat gevonden. De schat bestond uit ongeveer 350 tot 370 zilveren munten, denarii. De jongste munt was een denarius van keizer Commodus, gedateerd rond 180 na Christus. De munten kunnen dus niet vóór die datum samen in de grond zijn beland, al blijft de precieze begravingsdatum onbekend.

Drenthe lag buiten het Romeinse Rijk. Hoe de munten hier terechtkwamen, weten we niet. Ze kunnen via handel, persoonlijke contacten, buit of militaire dienst in deze omgeving zijn beland. Ook is onbekend waarom iemand ze in het natte beekdal verborg. Het kan om spaargeld, bezit of een offer zijn gegaan.

De landschapsbiografie van de Drentsche Aa kiest daarin wél. Juist omdat de schat in een beekdal lag en niet bij een erf, moet volgens dat boek aan een rituele depositie worden gedacht: een offer, geen spaarpot. Beekdalen en veentjes zijn in dit gebied de vaste plaatsen waar dingen bewust werden achtergelaten, en een schat die je terug wilt halen, leg je droog. Het boek trekt er nog een gevolgtrekking uit die verder gaat dan deze plek: wie afstand kon doen van zo'n kostbaar bezit, was iemand van stand. Samen met de Romeinse munten die bij Anloo uit de es kwamen wijst dat op invloedrijke ingezetenen in beide dorpen – in een periode waarin er van bestuur of bezit verder niets op schrift staat.

De vondst kreeg helaas geen zorgvuldige archeologische behandeling. De munten werden verkocht aan twee zilversmeden in Assen en een groot deel werd omgesmolten. Volgens de overlevering kwam ongeveer een kwart via Lucas Oldenhuis Gratama in een collectie terecht; een deel daarvan is bewaard gebleven in het Drents Archief.

Hoe het is gegaan weten we wél, en dat is te danken aan een manuscript dat pas in deze eeuw is teruggevonden. Rond 20 april 1839 zocht Jan, de zoon van schaapherder Andries Fokkema, kievitseieren in een stuk hooiland dat de Hiermaat heette. Hij stootte op een vers opgeworpen molshoop met daarop iets wat op een munt leek – donkerbruin tot zwart beslagen, maar na wat wrijven bleek het zilver. Zijn vader ging de volgende ochtend op pad en kwam terug met honderdzesenzestig munten; de twee dagen daarna nog eens veertig. Een naamloze scharenslijper die bij Fokkema in huis woonde hoorde ervan en bemachtigde er ook veertig. De eigenaren van het land, de gebroeders Jan en Hendrik Thijs, vonden daarna nog een partij. Zo kwam het totaal op 350 à 370 munten.

Wat er daarna gebeurde is een aaneenschakeling van te laat komen. De vondst werd niet aan de gouverneur gemeld; de schaapherder probeerde de plek geheim te houden en pas na herhaald onderzoek door de veldwachter bleek hij de vinder. Toen kwamen er lieden op af die zich er niet voor geneerden 's nachts in het geniep op de plek te gaan graven, waarop de burgemeester van Rolde brigadier-veldwachter Kars Huizing opdroeg daar 's nachts de wacht te houden. Zodra men dat doorhad, vertoonde niemand zich meer. Op een ochtend groeven de landeigenaar en de veldwachter samen nog acht muntjes op; de helft daarvan gaf Thijs aan de veldwachter, die ze na overleg met de burgemeester aan de koning aanbood. De koning kende hem daarvoor vijftien gulden toe.

De rest ging naar de smeltkroes, en de prijs staat vast. Elke munt woog drie gram en had een zilverwaarde van drieëntwintigeneenhalve cent, en dat is precies wat de twee Asser zilversmeden ervoor betaalden – voor ruim tweehonderdvijftig stuks. Baron Van der Feltz, griffier bij het Provinciaal Gerechtshof, wist ze alle van de smeden te lenen, koos er honderd uit voor zijn eigen collectie, en beschreef samen met archivaris J.S. Magnin de negenenzeventig exemplaren die allemaal van elkaar verschilden. Zestien jaar later kocht iemand nog vijf van deze munten bij zilversmid Barends, voor twee gulden vijftig.

Waar het precies gebeurde is in 2010 uitgezocht. De onderzoekers stuitten in de collectie Gratama op een verslag van 25 bladzijden dat Magnin in 1842 schreef. Hij noemt twee aanknopingspunten: het toponiem Hiermaat, en de eigenaars – de gebroeders Thijs bezaten land in de Ossebroeken, tussen het Ballooërveld en het Rolderdiep. Beide namen staan er nog: op de topografische kaart van vandaag heten deze percelen de Ossenbroeken, met direct ten noorden ervan de Heeremaden.

Onze stip ligt in de Ossenbroeken, op de grens met de Heeremaden. Magnins eigen maatvoering – "ongeveer 25 passen van het heideveld", met het Andersche Diep "bijna 150 passen ten oosten" – is niet meer na te meten, want de heiderand ligt daar tegenwoordig ruim vijfhonderd meter van de beek; rond 1900 reikte de heide verder naar het oosten dan nu.

Magnin beschrijft ook wat er níet lag. Vlak heideveld, zonder hoogten, zonder hunebedden, zonder tumuli. Geen scherven van urnen, geen verbrande of andere doodsbeenderen, geen houtskool. Een oude begraafplaats werd dus niet als optie genoemd. In 1837 was er ten noorden van de Hiermaat nog een sloot gegraven, en ook toen kwam er niets tevoorschijn.

Bekijk deze plek op de kaart →

Deze plek is stap 3 van 9 in de verhaallijn Bijzondere vondsten. Lees de hele lijn.

Op de achtergrond: de luchtfoto van deze plek (PDOK).

Gegevens

Ligging
53.00928, 6.66222
Gebied
Balloërveld
Periode
Romeinse tijd
Zekerheid van de ligging
laag

In de buurt

  1. StakenbergVier grafheuvels ten noorden van de Mandenberg heten samen de Stakenberg; alleen de eerste is onderzocht, en de naam wijst mogelijk op een verdwenen paal.620 m
  2. ≈ Anderse BoerholtHet verdwenen Boerholt van Anderen, in 1832 nog eenentwintig hectare kreupelhout in gemeenschappelijk bezit van de markgenoten.800 m
  3. GalgenbergDe Galgenberg is een hoge grafheuvel midden op het Balloërveld. Of er ooit een galg heeft gestaan is nooit archeologisch aangetoond.810 m
  4. UrnenveldIn het Overdijksveld bij Gasteren is een deel van een urnenveld opgegraven. Door ploegen en bemesten is er aan het oppervlak niets meer van over.920 m
  5. Het celtic field van AnderenBij Anderen ligt een celtic field van 500 bij 250 meter, gevonden op luchtfoto's, op het reliëf en door Jager; in 1936 kwamen er vier urnen boven.1000 m
  6. KarrensporenOver het Balloërveld liep de route van Coevorden naar Groningen als een brede zone waarin karren steeds opnieuw hun sporen trokken.1,1 km
  7. MandenbergDe grootste heuvelgroep van het Balloërveld: eenendertig grafheuvels, waarvan twee samen als een zonnekalender lijken te hebben gewerkt.1,2 km
  8. TankopstelplaatsTwee laagtes aan weerszijden van de zandweg bij de Mandenberg zijn mogelijk de opstelplaats voor tanks die Defensie hier in 1972 liet graven.1,4 km
  9. LoopgraafOver het Balloërveld liep de Frieslandriegel, een Duitse verdedigingslinie die dwangarbeiders met de hand groeven en die in april 1945 geen rol speelde.1,6 km
  10. TichelhuisHet Tichelhuis bij het Smalbroekerloopje is een veldnaam uit 1900 voor een steenbakkerij; waar het huis zelf stond is nooit vastgelegd.1,7 km

Hemelsbreed gemeten, van dichtbij naar ver. Verschuif de band naar rechts voor de volgende.