Magnuskerk van Anloo en de zitting van de Etstoel
Plek met een verhaal·Later gebruik

De Magnuskerk staat op een lichte verhoging aan de oostelijke brink van Anloo. Op de hoogtekaart is deze verhoging goed te zien. De kerk wordt voor het eerst genoemd in 1139. Van Giffen groef in 1942 het hele middenschip op en stuitte daar op verbrand hout en leem van kerkgebouwen die nog ouder waren. Gepubliceerd heeft hij er nooit over. Archeoloog Pieter den Hengst maakte dat werk in 2016 af en kwam tit zes of zeven voorgangers, waarvan de eerste in de negende eeuw. Preciezer wordt het voorlopig niet, want bij C14-onderzoek aan het hout dat Van Giffen opgroef in 1942 bleek het stukje uit de onderste laag jonger dan dat uit de laag erboven, en dat kan niet.
Regnerus Steensma beschrijft de buitenkant van de kerk in zijn gids “Langs de oude Drentse kerken”: het schip is romaans en van tufsteen. In de bovenzone van de noord- en zuidmuur zitten zeven brede rondbogige spaarvelden met kleine romaanse vensters erin. Die eenvoudige versiering maakt een datering rond 1100 of het eind van de elfde eeuw waarschijnlijk. De muren zijn later met baksteen verhoogd. Onder dat tufsteen ligt een fundering van zwerfkeien – de kerk zelf noemt ze hunebedstenen en wijst er twee aan die aan de voorkant zichtbaar zijn.
De toren is jonger dan het schip. Hij is grotendeels van baksteen – alleen de band rond de onderste galmgaten is tufsteen, kennelijk een restpartij die van tufsteenbouw was overgebleven en hier alsnog is opgemaakt. Op basis van die baksteen dateert Steensma de toren op de tweede helft of het eind van de twaalfde eeuw. Het spitsje is van 1757, de opvallende trapgevel van 1895. De romaanse absis is begin veertiende eeuw vervangen door een gotisch koor: waar men in Zuidlaren en Vries de uitbreiding in de hoogte zocht, werkte men in Anloo in de lengte.
Omdat het kerkgebouw van steen was en ruimte bood aan grote gezelschappen, zetelde hier ook de rechtbank. De Etstoel, het hoogste rechtscollege van Drenthe, kwam drie keer per jaar bijeen. De dagen en plaatsen daarvan lagen vast in het Landrecht. Twee van die lottingen waren in Rolde, de derde hier, op 19 augustus – de feestdag van Sint Magnus, bisschop van Trani, die op deze dag de marteldood stierf. Die bijeenkomst heette het Magnuslotting. Anloo was toen de hoofdplaats van het dingspel Oostermoer en de kerk was de moederkerk van een gebied dat van Zuidlaren tot Borger reikte. In 1632 vergaderde de Etstoel voor het laatst in Anloo.
Bij een restauratie van 1936 zijn in het koor smalle rondbogige vensters aangebracht, ter vervanging van spitsboogvensters die zélf ook al niet origineel waren. Steensma tekent daarbij aan dat zo'n ingrijpende keuze de bezoeker gemakkelijk op een dwaalspoor kan brengen wat de datering betreft. Bij de restauratie van het schip, tussen 1941 en 1944, werd de witkalk van de muren gebikt – en pas veel te laat kwam men erachter dat daar muurschilderingen onder zaten.
Deze muurschilderingen, die Steensma uniek voor Drenthe noemt, zijn vier lagen over elkaar. Onderop de Mariacyclus uit de late dertiende of vroege veertiende eeuw, met naast de hagioscoop het geboorteverhaal: Maria op een boerenbed onder een groene deken, de os en de ezel die toekijken. Daarover een rij heiligen boven de triomfboog, zes figuren in strakke nissen, het restant van wat oorspronkelijk de twaalf apostelen waren. Daarover één grote figuur, dwars over die apostelen heen geschilderd – mogelijk Christoffel, van wie het volksgeloof wilde dat wie hem gezien had die dag niet zou sterven. En bovenop cartouches uit het begin van de zeventiende eeuw. De protestanten hebben de heiligen wel overgewit, maar de muren niet kaal gelaten; ze zetten er teksten voor in de plaats, in het Nederduits: “Mijn kindt vorgett mijn Gesette nith. Un dijn harte beware mijne gebode.”
Eén van de geschilderde cartouches is bij de restauratie blootgelegd en hersteld, en draagt in Latijn een zin die pleit voor een stille kerk: NON CLAMOR SED AMOR SONAT IN AURE DEI – niet geschreeuw, maar liefde klinkt in Gods oor.
Het grondplan van het tufstenen schip komt opvallend overeen met dat van de tufstenen Sint-Maartenskerk waarvan de fundamenten onder de vloer van de Groninger Martinikerk liggen – twee kerken van dezelfde bouwheer, want de bisschop van Utrecht had in beide plaatsen een hof naast zijn kerk.
Onder de plavuizen van het koor ligt een grafkelder. Op 23 maart 1942 vond Van Giffen de ingang, midden onder de triomfboog: een trap van zware veldkeien die uitkwam op een dichtgemetselde muur. Opzichter Wobbe Alkema hakte er een gat in en zag drie schedels, twee van volwassenen en een kleinere. Verder kwam het niet. Van Giffen wilde de restauratie een maand stilleggen om door te graven, Alkema wilde doorbouwen, en Alkema kreeg zijn zin; de kelder ging weer dicht onder een plavuizen vloer. Wat we van die dagen weten komt uit Alkema's dagboekje, met een nauwkeurige tekening van de kelder erin. Dit dagboekje kwam later in de Groninger Archieven terecht.
In 2016 is de kelder alsnog geopend. In de archieven staat wie erin zouden liggen: de twee echtgenotes van ritmeester Unico Evert Alberda en een kind. Alberda kocht de kelder voor driehonderd gulden en ligt er zelf niet in – hij stierf in Groningen en is daar begraven. Er kwamen resten van in totaal zeven mensen tevoorschijn. Wie de andere vier zijn, is onbekend: de botten zijn te slecht en gebitsresten ontbreken, dus DNA-onderzoek was niet mogelijk Waarschijnlijk zijn het doden uit de kerk zelf, bij een verbouwing geruimd en hier bijgezet. De keientrap, die middeleeuws leek, bleek achttiende-eeuws: hij doorbreekt de fundering van de kerk, en de keien die daarbij vrijkwamen zijn in de trap zelf hergebruikt. Grondradar liet zien dat het gotische koor een forse romaanse voorganger heeft gehad.
In het koor liggen de zerken van de mannen die hier bestuurden. Onder het raamkruis die van Roedolf Wolters, in 1599 gestorven en bij leven schulte van Anloo, Gieten en Zuidlaren – het is een altaarsteen die na de hervorming als grafzerk is hergebruikt. Er staat een Latijnse zin op: eens was ik een lichaam, nu ben ik zonder lichaam tot stof, en dat stof zal eens opnieuw een lichaam zijn. Te zien is de zerk niet, want het Van Vulpen-orgel staat erop. Links ervan ligt landmeter Willem Rudolf Grevylink, gestorven in 1806, wiens steen een verzoek draagt met een jaartal dat niet kan kloppen: “Wordt versogt dit graft Voor het jaar 1097 Niet te Ontrusten.”
Het grote orgel is een geschenk van de familie Ellents: op 5 maart 1717 werd de akte van aanbesteding getekend voor 1.450 carolusguldens. De bouw ging naar Johannes Radeker en Rudolf Garrels, meesterknechten van Arp Schnitger. In de toren hangt de luidklok van 1732 met de wapens van twee kerkvoogden erop, en ook een P, van Prüfung – het merk waarmee de Duitse klokkenvordering in de Tweede Wereldoorlog aangaf dat een klok nader zou worden onderzocht en misschien gespaard. Anloo had pech: de klok ging door het bovenste galmgat naar buiten en is pas op 5 december 1945 in Hamburg teruggevonden.
Boven de dichtgemetselde noordingang zit ten slotte een ingemetselde steen met een biddende mannenfiguur, twaalfde-eeuws en van zandsteen. Uit zijn trapeziumvormvalt af te leiden dat het oorspronkelijk een sarcofaagdeksel was die hier later is ingezet. Over wie erop staat is veel gespeculeerd – genoemd zijn de apostel Willehad, de patroonheilige Magnus en Theodgrim. Die drie hebben met elkaar gemeen dat ze uit de tijd van de kerstening komen. Theodgrim is de man die in 820 zijn Drentse erfgoed wegschonk aan het klooster Werden, in de akte waarin de naam Drenthe voor het eerst op schrift staat.
Bekijk deze plek op de kaart →
Deze plek is stap 4 van 5 in de verhaallijn De doden, vijfduizend jaar. Lees de hele lijn.
Deze plek is stap 4 van 6 in de verhaallijn Van Giffen graaft. Lees de hele lijn.
Op de achtergrond: de luchtfoto van deze plek (PDOK).
Gegevens
- Ligging
- 53.04303, 6.69780
- Gebied
- Anloo
- Periode
- Middeleeuwen
- Zekerheid van de ligging
- hoog
In de buurt
- ≈ BisschopshofDe bisschopshof die de bisschop van Utrecht na 1024 in Anloo liet bouwen is nooit teruggevonden: vier plekken komen in aanmerking.50 m
- EllentshuisHet Ellentshuis bij de brink van Anloo, in 1838 voor afbraak verkocht; de oprijlaan is nog te herkennen in de eikenrijen.60 m
Schultenhuis AnlooEen hallenhuisboerderij aan de brink van Anloo die mogelijk schultenhuis was; in de deurneuten staat 1733, in de gevelankers 1818.80 m- VennebroekOp de hoek van de Gasterenseweg bij Anloo stond havezate Vennebroek, dat zijn naam en zijn status in 1747 erfde van een huis bij Paterswolde.110 m
HomanshofHomanshof bij Anloo is een hallenhuisboerderij die eeuwenlang verhuurd werd; de naam komt van de familie die hem bezat, niet van de boeren die er woonden.210 m- WeiersBij de voorname huizen van Anloo lagen visvijvers; de oudste was niet van een havezate maar van de bisschop.250 m
- Werkhuis AnlooIn 1852 bouwde de diaconie in Anloo een werkhuis voor armen, al vond een briefschrijver dat er in het dorp voor hen geen werk was.320 m
Noordesch AnlooUit de Noordesch van Anloo kwamen een urnenveld, prehistorisch aardewerk en een zilverschat van 114 Romeinse munten, ver buiten het Romeinse Rijk.330 m- ≈ JachthuisGrondradar vond bij Anloo een gracht en reflecties die funderingen kunnen zijn. Of dat het jachthuis van stadhouder Hendrik Casimir II was, is omstreden.420 m
SmeltwaterdalHet Anlooërdiepje stroomt door een dal dat veel breder is dan de beek: uitgesleten door smeltwater uit de ijstijden.490 m
Hemelsbreed gemeten, van dichtbij naar ver. Verschuif de band naar rechts voor de volgende.
Bronnen
- magnuskerk.nl – geschiedenis magnuskerk
- magnuskerk.nl – toren
- magnuskerk.nl – frescos
- magnuskerk.nl – grafkelder
- magnuskerk.nl – grafstenen
- magnuskerk.nl – garrels radeker orgel
- magnuskerk.nl – klok en gebruiken
- rtvdrenthe.nl
- DBNL, Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren
- Geheugen van Drenthe
- Landschapsbiografie van de Drentsche Aa
- Wikipedia