Landschapssporen

Alle plekken

Zeegse

8 plekken

Zeegse geldt op de monumentenkaart als een jong esdorp – al dateert de landschapsbiografie de nederzetting zelf in de vierde tot vijfde eeuw – en toch komt van hier de oudste verrassing van deze kaart. In januari 2014 haalden twee detectorzoekers er zevenenveertig gouden munten uit de grond, bij elkaar, uit een eeuw waaruit in Noord-Drenthe verder vrijwel niets over is.

De naam wijst niet naar het zand maar naar het water. Zeegse staat in 1225 op schrift als Segese, van sêge: een langgerekte moerassige laagte. Dat is het Zeegserloopje met zijn dal, en niet de duinen waar het dorp nu om bekendstaat – die zijn er pas eeuwen later bij gekomen.

De omgeving van Zeegse op de topografische kaart van 1900
De omgeving van Zeegse op de kaart van 1900 – topotijdreis, Kadaster. De kaartknop hieronder opent dezelfde omgeving met de jaarschuif.

Bekijk Zeegse op de kaart →

Goud uit Constantinopel

Wat die schat bijzonder maakt is niet het goud maar de spreiding: de munten zijn geslagen van Constantinopel tot Laon, in vier rijken die elkaar in de zesde eeuw opvolgden of bevochten, en ze kwamen alle zevenenveertig samen terecht op een zandrug hier. Waarom, weet niemand. Een schat is bovendien iets anders dan een vondst: hij is bewust weggestopt door iemand die van plan was terug te komen. De reeks steentijdvindplaatsen langs de Hunze, de urnenvelden op de essen en de grafheuvels op de dalranden zijn allemaal achtergelaten; dit is het enige op deze kaart wat iemand met opzet aan de grond toevertrouwde. Sinds juni 2014 ligt hij in het Drents Museum, met als vindplaats één woord: Zeegse.

De goudschat van Zeegse, zevenenveertig solidi uit de zesde eeuw
Foto: Collectie Drents Museum (M2014-0001-47) – CC BY-NC 4.0 · De goudschat van Zeegse, zevenenveertig solidi uit de zesde eeuw →

Duinen die twee keer zijn gemaakt

De Zeegser Duinen ogen als natuur en zijn van begin tot eind mensenwerk – twee keer achter elkaar. Eerst de schapen: de kudden van de Zeegser boeren vraten de heide kaal, het dekzand kwam los en stoof op tot duinen, hetzelfde mechanisme als bij de Gasterse Duinen en het stuifzand dat Rolde met het Boerbos vastlegde. Toen de schapen verdwenen had het zand tot rust moeten komen. In plaats daarvan kwam de tweede ronde: Zeegse raakte rond 1900 in trek bij Groningers, er ging zoveel bos tegen de vlakte dat de duinen juist hoger opstoven, en wie wilde kocht voor een paar centen een lap "waardeloze" grond voor een zomerhuisje – de recreatiewoningen tussen de bomen staan er nog. Pas de jeneverbes legde het zand vast, en daarna kregen eik, berk en den hun kans.

Vlak ten oosten ervan ligt het Siepelveentien, en dat is de rustige tegenhanger van al dat bewegende zand: een laagte tussen twee dekzandruggen die op het hoogtemodel als een donkere kom in het onrustige stuifzandreliëf ligt. Het is het noordelijkste van de zeven offerveentjes die deze kaart kent, en het draagt net als alle andere een eigen naam – zo werd dit landschap gelezen, niet als lege heide maar als een reeks plekken die je uit elkaar kon houden.

Het Siepelveentien bij Zeegse
Foto: Willembok at nl.wikipedia – CC BY-SA 3.0 · Het Siepelveentien bij Zeegse →

Vakantie op een zandverstuiving

Die zomerhuisjes kregen in 1932 een vereniging: Mooi Zeegse, opgericht door en voor arbeiders uit Groningen en omstreken, die met de fiets, de bus of de trein kwamen en zo tegen een lage prijs vakantie konden vieren. De eerste kampeerders bouwden hun tenthuisje op met uitzicht op een zandverstuiving; nu staan diezelfde huisjes tussen de bomen, en de leden van nu zijn vaak nazaten van de leden van toen. Veel meer huisjes zijn het er nooit geworden. Van de circa honderdvijftig zomerhuisjes in de noordelijke regio zijn er maar zeventien na 1940 gebouwd, want de zomerhuisjesverordening van 1935 eiste vijftig meter tussen de huisjes en daarmee was de ruimte op. In de oorlog dienden een paar ervan als schuilplaats voor onderduikers.

Wie er mocht kopen werd wel nagetrokken. In 1934 liet de burgemeester van Anloo uitzoeken of de koper van een zomerhuisje hier communistische denkbeelden aanhing; de hoofdcommissaris van politie stelde hem gerust dat Paulus Fransiscus Johannes Sentener en zijn echtgenote Klaartje er geen staatsgevaarlijke ideeën op na hielden. Zulke antecedentenonderzoeken liepen door tot in de jaren zestig – het idylle-landschap van het zomerhuisje had een archiefkant.

De strubbengordel die van de kaart is

Tussen de Zuides en de heide moet hier een gordel strubben hebben gelegen: kromgegroeide eikenclusters, ontstaan doordat schapen eeuwenlang de jonge opslag wegvraten zodra die boven de heide uitkwam. Op de topografische kaart van 1896 is dat te zien langs de Schaapsdrift ten zuiden van de Zuides – Zeegse staat daarmee in hetzelfde rijtje als Vries, Zeijen en Eext, dorpen waar die overgang van opgaand bos naar heide zich als een band aftekent.

Het is de zonering waar deze streek op is gebouwd: de es tegen het dorp aan, daarachter het holt met het timmerhout, daarachter de strubben waar het vee kwam, en dan de open heide. Elke stap naar buiten is een stap armere grond, en de strubben zijn de plek waar het bos het aflegt tegen de schapen.

Waar die gordel precies lag is hier niet als plek aangegeven. De naam Schaapsdrift komt bij Zeegse in geen enkele registratie voor, en het kaartblad van 1896 zit niet in de jaarschuif – die springt van 1890 naar 1900, en op geen van beide is de band met zekerheid aan te wijzen. Wat er wél staat is de reeks: het patroon is bekend, het adres nog niet.

De doden op de dalrand

Op de westflank van het dorp ligt de Adderhorst: tien grafheuvels bij elkaar, geen ervan ooit wetenschappelijk onderzocht. Binnen een paar honderd meter liggen nog twee losse heuvels – op de Noorderesch en bij het Witveen – en op luchtfoto's is er een celtic field waargenomen. Wat ze bindt is de plek: allemaal op de dalrand van het Zeegserloopje, de doden op de droge rand met uitzicht over het natte dal. Dat is het patroon van deze hele kaart, en hier is het op het hoogtemodel als een snoer te volgen: de heuvels liggen langs de rand als kralen. Hunebed D6 ligt vierhonderd meter verderop – administratief onder Tynaarlo, landschappelijk op dezelfde rug.

Aan de noordkant hoort daar nog een grafveld bij, en dat is er slecht aan toe in de archieven. Van Giffen groef omstreeks 1920 op Mooi Zeegse een urnenveld op, en op datzelfde perceel kwamen later bewoningssporen uit het Midden-neolithicumca. 3350 tot 2750 v.Chr.Meer over deze periode boven – maar wat er uit dat urnenveld kwam en uit welke eeuw het stamt, staat nergens. Twee regels registratie moeten twee bewoningsperioden dekken die duizenden jaren uit elkaar liggen. Op deze kaart is dat het spiegelbeeld van de goudschat: daar is elk muntje beschreven, hier is een heel grafveld opgegraven en weer uit zicht verdwenen.

Bekijk Zeegse op de kaart →