Landschapssporen

De tijdlijn

Klokbekercultuur

Cultuur·2400 tot 1900 v.Chr.·binnen het Neolithicum·9 plekken

De Klokbekercultuur2400 tot 1900 v.Chr. is de laatste neolithische cultuur, genoemd naar een kenmerkend stuk aardewerk: de klokbeker. Het Geheugen van Drenthe dateert de Nederlandse variant tussen 2400 en 1900 v.Chr. en plaatst haar in een cultuurgroep die zich uitstrekte van Schotland tot de Marokkaanse noordkust en van Polen tot Sicilië. In Nederland worden twee tradities onderscheiden: de Veluwse, en de Noordoost-Nederlandse en Noordwest-Duitse traditie waar Drenthe bij hoort.

Die einddatum is het onthouden waard. 1900 v.Chr. is precies het jaar waarop de encyclopedie de Bronstijd1900 tot 800 v.Chr.Meer over deze periode laat beginnen. Deze cultuur loopt dus tot op de grens, en dat is de reden dat registraties haar nu eens onder "Neolithicum" en dan weer onder "Laat-neolithicum" plaatsen – soms bij hetzelfde soort vondst.

Hunebed D15 bij Loon, met de kransstenen
Foto: Collectie Drents Museum (DM330129), via de beeldbank van het Drents Archief, opname Friedrich Julius von Kolkow – Publiek domein · Hunebed D15 bij Loon, met de kransstenen →

Hunebed D15: een graf dat twee keer is gebruikt

De uitvoerigst beschreven plek met deze cultuur is er een met een wending. Hunebed D15 bij Loon, met zijn kransstenen, is een neolithisch grafmonument – gebouwd door de Trechterbekercultuur4000 tot 2700 v.Chr.Meer over deze periode, zoals alle hunebedden. Maar het klokbekermateriaal dat er is gevonden is jonger dan het graf zelf.

Dat maakt D15 een plek die twee labels draagt: Neolithicumca. 5325 tot 1900 v.Chr.Meer over deze periode voor het monument, Klokbekercultuur2400 tot 1900 v.Chr. voor wat er later in of bij is achtergelaten. Zeven plekken op deze kaart staan er inmiddels zo bij, en dat is geen slordigheid in de labels maar het bedoelde gedrag – een monument dat eeuwen na de bouw opnieuw wordt gebruikt is niet dubbelop, het is een plek met meer dan één verhaal.

De rijkste klokbekervondst ligt bij Schipborg

Op Driebergen, de rij grafheuvels langs de oude weg over de Hondsrug, groef A.E. van Giffen in 1921 een groot fragment van een klokbeker op. J.J. Butler kwam er in 1970 op terug en haalde er twee vrijwel complete bekers uit, met de resten van minstens twee barnstenen kralen erbij – barnsteen komt hier niet uit de grond, dat is van elders aangevoerd.

Op de Ketenberg bij Eexterhalte zit de overgang zelf in de heuvel. Hij is in twee fasen opgeworpen, en elke fase heeft in de registratie zijn eigen bekercultuur gekregen: eerst de standvoetbeker, daarboven de klokbeker. De cultuur van de vorige pagina en die van deze, boven op elkaar in één heuvel.

Waar de cultuur in de bronstijd overgaat

De klokbeker verdwijnt niet, hij verandert. In de laatste fase raakt het aardewerk versierd met indrukken van een om een stokje gewikkeld draadje – wikkeldraadaardewerk, en dat is de vorm die doorloopt tot in de Vroege bronstijd1900 tot 1575 v.Chr.Meer over deze periode. Wie in een registratie wikkeldraad tegenkomt, kijkt dus naar de overgang zelf en niet naar een van beide perioden.

Op deze kaart ligt dat spul in het Strubben-Kniphorstbos. Op de twee beschermde terreinen bij het Kniphorstbosch raapten amateurs bij karteringen in 1966, 1970 en 1986 trechterbekerscherven én wikkeldraadaardewerk op – twee vormen die ruim duizend jaar uit elkaar liggen, op hetzelfde perceel. Dat is geen rommelige registratie maar de gewone gang van zaken op een droge rug die eeuwenlang bruikbaar bleef.

Wat we van deze mensen niet weten

De encyclopedie is er open over: mede omdat er in Noord-Nederland maar weinig nederzettingsterreinen van de Klokbekercultuur2400 tot 1900 v.Chr. zijn onderzocht, weten we weinig over de vorm van de huizen en de omvang van de woonplaatsen. Zeer waarschijnlijk vormden akkerbouw en veeteelt de pijlers van het bestaan, maar dat is een redelijke aanname en geen opgegraven gegeven.

Voor deze kaart betekent dat: waar je deze cultuur tegenkomt, is dat vrijwel altijd in een graf of als aardewerk, en niet als een woonplaats. Wie hier een klokbekerdorp zoekt, zoekt iets wat in dit hele gebied nog niet is gevonden.

En dan is er de kant die je juist niet vindt. Aan de weg van Oudemolen naar Zeegse kwam in 1934 klokbekeraardewerk boven "in omstandigheden die de aanwezigheid van een graf doen vermoeden" – geen opgraving, geen ingemeten grafkuil, maar een pot die tevoorschijn kwam bij werk in de grond. Een vlakgraf heeft geen heuvel en geen steen, en is dus alleen te vinden door erop te stuiten; op datzelfde moment is de context meestal al weg.

Aan het Gastersche Diep bij Taarlo is dat probleem in één terrein samengebald. Daar kwam uit de bouwvoor het gereedschap van een boogschutter omhoog – bijlen, spitsjes, een kling en een polsbeschermer – een combinatie die volgens de registratie uit een graf kan komen. Datzelfde terrein staat tegelijkertijd geregistreerd als bewoning. Woonplaats of graf: het is niet uit te maken, en dat is precies de onzekerheid die hierboven staat.

En hoe je de rest terugvindt

De monumentenkaart noemt de klokbeker in dit kaartvlak bij twaalf terreinen; negen plekken dragen het label, en die staan hieronder. Dat zijn niet dezelfde negen: sommige plekken dekken meer dan één registratie, een paar terreinen hebben nog geen plek, en bij hunebed D13 komt het label niet uit de monumentenkaart maar uit de datering van de heuvel die eroverheen ligt. Wie verder wil kijken: de registratie schrijft "Klokbeker", "o.a. Klokbeker" en "onder andere Klokbeker" door elkaar, en zet ze dus niet allemaal onder dezelfde periodenaam.

Alle plekken per dorp en gebied →