Landschapssporen

De kaart

De rug als weg

Verhaallijn·10 plekken

Volg deze lijn op de kaart →

Dit is geen tijdvak maar een lijn. Hij loopt van de steentijd tot 1977, en hij is de reden dat de meeste plekken op deze kaart liggen waar ze liggen.

De Hondsrug is zeventig kilometer lang, plaatselijk meer dan drie kilometer breed, en hij loopt van Groningen naar het zuidoosten van Drenthe. Hij klimt van ruim twee meter boven NAP in het noorden naar achtentwintig meter bij Emmen. Naast hem liggen nog vier van zulke ruggen, en daartussen de beekdalen: het natte deel, het drassige deel, het deel waar je met een kar niet kwam.

Dat is het hele verhaal in één zin. Wie hier van noord naar zuid wilde, ging over de rug, omdat er geen alternatief was. Vijfduizend jaar lang.

Karrensporen op het Balloërveld
Foto: Bert van As – CC BY-SA 4.0 · Karrensporen op het Balloërveld →

De doden gingen mee

Het eerste bewijs is prehistorisch en het ligt er nog. Hunebed D13 bij Eext staat op een hoge rug in het landschap – dezelfde droge route waar later karrensporen overheen liepen en waar ook grafheuvels werden aangelegd. Dat is geen toeval en het is ook geen ontdekking van deze kaart: het is wat je ziet zodra je die drie dingen op één ondergrond legt.

Hunebed D13 bij Eext
Foto: Collectie Drents Museum (DM3202455), via de beeldbank van het Drents Archief, opname Albert Egges van Giffen – Publiek domein · Hunebed D13 bij Eext →

De grafheuvels liggen er nog duidelijker aan. De heuvel bij de Hooidijk ligt aan de oude route over de Hondsrug, dertien meter in doorsnee, en een oude zandweg heeft aan de zuidkant een stuk van hem afgesneden – de weg die hem markeerde heeft hem uiteindelijk aangevreten. Bij Schuilingsoord staat langs de Oude Tolweg nog een kwart van een grafheuvel overeind; de rest is in 1921 opgegraven en niet teruggelegd, en in het restant heeft iemand later een kelder gemetseld waarvan de muren nog boven de grond uitsteken.

Hooidijk: een grafheuvel waarvan de bescherming kleiner werd

Een kwart grafheuvel met een kelder erin, bij de Annertol

Wie een graf zichtbaar wilde maken, legde het aan de weg. Dat is vierduizend jaar lang dezelfde gedachte gebleven.

De weg is geen lijn maar een zone

Wat wij een weg noemen was hier iets anders. Karren en wagens gebruikten eeuwenlang dezelfde zandroute, en werd een spoor te diep en te modderig, dan week de voerman uit naar een drogere lijn ernaast. Zo ontstond geen weg maar een bundel: tientallen parallelle geulen naast elkaar.

Ten noorden van Eext is die bundel ruim honderd meter breed. Op het Balloërveld, langs de Galgenberg, is het volledige karrensporenreliëf bijna vierhonderd meter breed. Dat was de doorgaande route van Coevorden naar Groningen – het noordelijke handelscentrum en de zuidelijke toegangspoort naar Overijssel, Twente en Westfalen – en die liep over de hoge droge zandruggen omdat hij nergens anders lopen kón.

Karrensporen bij het Evertsbos

Karrensporen op het Balloërveld

Zet de karrensporenlaag aan en kijk vooral waar zo'n brede bundel plotseling smal wordt. Dat is waar het landschap geen keuze liet.

Het contrast maakt het scherp. In het Evertsbos loopt de Kerkweg, met daarnaast een bundel karrensporen die op precies dezelfde manier is ontstaan – ondiepe geulen naast elkaar – maar dan veel smaller. Dat was een dorpsverbinding, geen doorgaande route. Aan de breedte van het reliëf kun je aflezen hoeveel verkeer er is geweest.

De Kerkweg, waarover de doden naar Anloo moesten

Waar de rug ophoudt

Een route over de hoge gronden werkt tot het moment dat je het water over moet. Daar zaten de knelpunten, en die hebben een naam: voorden, doorwaadbare plaatsen met een vaste bodem.

Ze zijn zeldzaam, en dat maakt ze machtig. De beekdalen waren het natte deel van het landschap en tegelijk de grenzen tussen de dorpsgebieden; wie van de ene es naar de andere wilde, kwam vroeg of laat bij het water. Waar dat kon zonder omweg ontstond een route – en waar een route ontstond, ging hij eeuwen mee.

Bij een voorde is het patroon van de sporen zelf het bewijs: aan de ene kant lopen ze naar de oversteek toe, aan de andere kant waaieren ze weer uit, omdat karren en vee hun weg vervolgden over de hogere en drogere gronden.

De voorde in het Andersche Diep, waar je nog steeds door het water kunt

In het Andersche Diep bij Anderen ga je nog steeds door het water. Op de topografische kaart van 1850 loopt daar al een weg die het diep precies op dat punt kruist, en in 1900 en 1955 ligt hij er nog, op dezelfde plek.

In het Gastersche Diep ging het anders. Daar lag de voorde waar de handelsroute van Coevorden via Rolde en het Balloërveld naar Groningen de beek passeerde – Gasteren was in die route een schakel om precies één reden: hier moest het verkeer het diep over. In 1610 werd de voorde vervangen door een brug met een opgehoogde weg ernaartoe, in de stukken de "nije dijck" genoemd.

De voorde in het Gastersche Diep, waar de hoofdweg de beek passeerde

En daarmee begint het volgende hoofdstuk van deze lijn.

Wie de weg bezit

Zodra iemand een weg aanlegt, wil iemand ervoor betaald worden.

Op 13 december 1615 stelden Drost en Gedeputeerden Frerick Tijmens aan om die nieuwe dijk bij Gasteren te onderhouden en er tol voor te heffen. De regeling had een prachtige uitweg: wie niet betalen wilde, moest maar van de oude voorde gebruikmaken. De gratis route bleef bestaan, maar hij was nat.

Tweeënhalve eeuw later is de gedachte onveranderd. De Oostermoerse straatweg kwam in 1859 gereed en kreeg twee tolheffingen, waarvan er één werd geïnd in het kleine tolhuisje dat halverwege Eext en Annen nog steeds staat, op een verder leeg stuk landschap. Het boek van de boermarke noteert vanaf 12 augustus 1913 de tarieven: vijf cent voor een paard of voertuig, twee cent voor een rund, één cent voor een kalf, schaap of varken.

Tolhuisje aan de Annerweg
Foto: Fransvannes – CC BY-SA 4.0 · Tolhuisje aan de Annerweg →

Een tolhuis midden in het niets is geen curiositeit. Het is het bewijs dat daar ooit genoeg verkeer langskwam om er iemand van te laten leven.

De eeuw waarin het ophield

Vijfduizend jaar lang bepaalde de ondergrond waar de weg lag. Toen kwam de techniek die het landschap kon negeren, en binnen één eeuw was het voorbij.

In 1905 werd de spoorlijn van Assen naar Gasselternijveen geopend, langs Rolde, Anderen, Eext, Gieten en Gasselte. Bij Eext kwam een halte, buiten de dorpskern, met een stationsgebouw uit de jaren twintig; er groeide een buurtschap omheen. Het personenvervoer eindigde op 4 mei 1947, omdat de Nederlandse Spoorwegen na de oorlog te weinig materieel hadden. Het stationsgebouw staat er nog, met een stuk rails waar sinds 1977 geen trein meer langskomt.

Eexterhalte en de spoorlijn Assen–Gasselternijveen
Foto: Willemjans – CC BY-SA 3.0 · Eexterhalte en de spoorlijn Assen–Gasselternijveen →

De asfaltweg deed de rest. Een moderne weg heeft geen droge route nodig: hij maakt er zelf een. Daarmee verloor de Hondsrug in ongeveer honderd jaar het monopolie dat hij vijftig eeuwen had gehad.

Wat er nu ligt

En dat is precies waarom hij nog te lezen is. De weg is als weg verdwenen – er rijdt niemand meer over de brede bundel bij het Evertsbos, en over de vierhonderd meter op het Balloërveld al helemaal niet – maar hij is niet weggehaald. Hij zit in de grond, als reliëf, onder heide en bos.

Zet het local relief model aan en volg hem. De hunebedden liggen erop, de grafheuvels ernaast, de voorden op de plekken waar hij het water raakt, en het tolhuisje staat er nog steeds op te wachten.

Vijfduizend jaar verkeer, en het is allemaal twintig centimeter hoog.

De gele band op de kaart is de reconstructie van de provincie Drenthe, uit het Cultuurhistorisch Kompas: doorgetrokken de prehistorische route over de rug, gestippeld de latere postwegen. Waarop die reconstructie precies berust is niet gepubliceerd; de karrensporen eronder zijn de waarneming.

Volg deze lijn op de kaart →