Landschapssporen

Alle plekken

Gasteren

18 plekken

Gasteren ligt op het smalle punt waar alles elkaar raakt: de es op de potklei, het beekdal van het Gastersche Diep, de stuifzandduinen met het hunebed, en de oude hoofdweg van Coevorden naar Groningen die hier de beek overstak. Het is het gebied waar je het duidelijkst ziet dat een dorp geen verzameling losse plekken is maar één systeem.

De naam zegt hetzelfde als de bodem. Gasteren staat in 1298 op schrift als Ghesteren, van gês: droog. Dat is precies waar het dorp op ligt – de droge kop tussen twee natte dalen – en het is de reden dat alles wat hier eeuwenlang gebeurde, van akkerbouw tot het oversteken van de beek, zich op een strook van een paar honderd meter afspeelt.

De omgeving van Gasteren op de topografische kaart van 1900
De omgeving van Gasteren op de kaart van 1900 – topotijdreis, Kadaster. De kaartknop hieronder opent dezelfde omgeving met de jaarschuif.

Bekijk Gasteren op de kaart →

De weg maakte de duinen

De duinen zijn een bijproduct van de doorgaande weg. Eeuwenlang liep hier de hoofdroute tussen Groningen en Coevorden, en karren en postkoetsen reden de heide zo kapot dat de wind vat kreeg op het dekzand eronder. Pas toen de route zich verplaatste kon het gebied weer dichtgroeien. De karrensporen liggen er nog als bundels parallelle strepen, op het veld en zelfs binnen de dorpskom tussen het Westeinde en de Gagels, en ze wijzen allemaal naar hetzelfde punt: de oversteek in het Gastersche Diep ten zuiden van het dorp, waar tot 1610 een voorde lag en daarna een brug.

Dat de weg hier eeuwenlang geld en gedoe opleverde, staat in de stukken. Vanaf 1615 hield een opzichter de verhoogde weg door het dal in onderhoud en mocht hij er tol voor heffen, wie niet betaalde moest maar door het water; in 1809 werd er nog altijd tol geïnd op de dijk ten zuiden van het dorp. En uit de bedding zelf kwamen bij karteringen rond 1990 scherven, dierenbot, leer en ijzerwerk uit de Late middeleeuwen1050 tot 1500Meer over deze periode, met een zwaardfragment en een lanspunt erbij.

Gasterse Duinen en de oude handelsweg
Foto: Bert van As – CC BY-SA 4.0 · Gasterse Duinen en de oude handelsweg →

Midden in dat stuifzand ligt hunebed D10, klein en gehavend – "sterk gestoord", noteerde Van Giffen in 1918 – maar met een bijzondere papieren geschiedenis: het eerste Nederlandse hunebed dat ooit in een geschrift werd genoemd heet de Duvelskut, en provinciaal archeoloog Van der Sanden liet zien dat die beschrijving beter op D10 past dan op de hunebedden van Rolde.

Het grafveld waar de heide ontstond

De belangrijkste opgraving van dit gebied gebeurde net op tijd. In 1939, toen de ontginning van de heide al begonnen was, groef Van Giffen bij Gasteren een compleet grafveld op: vierenveertig grafheuvels en een urnenveld van tweehonderd bij vijftig meter, met 107 bijzettingen. Anderhalf millennium lang – van rond 1500 voor Christus tot in de Romeinse tijd12 v.Chr. tot ca. 450 na Chr.Meer over deze periode – begroeven mensen hier hun doden, en het veld groeide daarbij van noord naar zuid.

Twee dingen maken deze plek uitzonderlijk. Onder de heuvels vond Van Giffen rechthoekige zettingen van houten palen, die hij las als een echo van de hunebedden: dezelfde bouwgedachte, in hout in plaats van steen. En het stuifmeelonderzoek van Waterbolk liet onder de opeenvolgende heuvels de heide zelf ontstaan – onder de oudste speelde heide nog geen rol, onder de jongste was ze toegenomen. De heidevelden waar deze hele kaart over gaat, zijn hier letterlijk in wording betrapt. De nederzetting die bij al die graven hoorde is nooit gevonden; wel sneed een waterleiding in 2003 op de Zuidesch door kuilen en paalgaten met eenentwintig potten uit de Late bronstijd1200 tot 800 v.Chr.Meer over deze periode en Vroege ijzertijd800 tot 500 v.Chr.Meer over deze periode. De doden zijn gevonden, de levenden nog niet.

En de werkput was niet de grens van het grafveld. Op het perceel ernaast kwam in 1949, bij het ontginnen van heide, nog een crematiegraf met ringsloot boven, met in dezelfde grond trechterbekeraardewerk en vuursteen dat duizenden jaren ouder is.

Potklei onder alles

Wat Gasteren zijn scherpe vormen geeft, zit in de bodem: potklei, de vrijwel waterdichte klei die in de Elster-ijstijd door smeltwater werd afgezet. De Zuidesch ligt erop, en daardoor kon het Gastersche Diep zich nauwelijks uitslijten – het dal bleef smal, de dalwand hoog, en vanaf de es kijk je er zo in. Het Gastersche Holt, het oude dorpsbos, dankt er zijn rijkdom aan: waar de klei hoog zit blijft het land nat, dus dit bos is nooit akker geworden en draagt voorjaarsplanten als bosanemoon die gelden als bewijs van een écht oud Drents holt.

Het Gastersche Holt: een oud dorpsbos op potklei
Foto: Peter b – CC BY-SA 4.0 · Het Gastersche Holt: een oud dorpsbos op potklei →

De veentjes horen bij hetzelfde verhaal. Het Voorste en Achterste Veen zijn hoogstwaarschijnlijk een oud beekdal dat in de laatste ijstijd met stuifzand werd dichtgeblazen – twee smalle stroken op één lijn, waar de Gasterenaren turf uit haalden en bij strenge vorst nog schaatsen. En het Bolleveen bij Taarlo is een van de zeven offerveentjes van deze kaart, met veenlagen die teruggaan tot de eerste millennia na de ijstijd: een doorlopend archief van stuifmeel, dat bij het onderzoek van 2009 nog intact bleek.

Eén laagte hier heeft alleen een naam en verder niets. De Koningskuil in het bos tussen Gasteren en Anloo is een plas van negentien bij twintig meter, met aan één kant een lichte rand die op een wal of een hoop grond kan wijzen. Waar de naam vandaan komt weet niemand. Op de kaart van 1900 ligt hij nog in de open heide, in een rij komvormige kuilen, en toen stond er nog geen water in getekend. Het bos eromheen is jonger dan de kuil.

Bekijk Gasteren op de kaart →

Alle plekken in Gasteren