IJstijden
Periode·het Pleistoceen; het Saalien bedekte Drenthe met landijs, het Weichselien niet·26 plekken
Dit is de onderste laag van deze kaart. Alle grafheuvels, hunebedden, essen en karrensporen die er verder op staan liggen op een landschap dat al klaar was voordat er iemand woonde – gemaakt door ijs, smeltwater, permafrost en wind. Wie wil begrijpen waarom de mensen op déze koppen zaten en niet twintig meter verderop, begint hier.

Drie ijstijden, en maar één die het ijs tot hier bracht
Het Elsterien is de oudste van de drie die in dit gebied sporen naliet. Het ijsfront lag toen ten noorden van Drenthe, en vóór dat front werden diepe smeltwatergeulen uitgeschuurd. Daarin zakte een zeer zware, zwarte klei neer: potklei, donker gekleurd door bruinkooldeeltjes die het landijs uit Zuid-Denemarken en Noord-Duitsland had meegenomen. Die klei dagzoomt in Noord-Drenthe en op plaatsen langs de oostelijke Hondsrug. Dagzomen is aan de oppervlakte komen in plaats van begraven blijven, en op het Eexterveld gebeurt dat.
Het Saalien250.000 tot 130.000 jaar geleden, de ijstijd die Drenthe onder landijs bedolf is de ijstijd die alles bepaalde. De landschapsbiografie dateert hem van 370.000 tot 130.000 jaar geleden – ruimer dan de Encyclopedie van Drenthe, die 250.000 aanhoudt, omdat het boek het hele tijdvak neemt en de encyclopedie de vergletsjering. In het tweede deel ervan bereikte het Scandinavische landijs zijn grootste uitbreiding: heel Drenthe lag onder een gletsjer van honderden meters dik, en Nederland was bedekt tot aan de grote rivieren. Alles wat hierna komt op deze pagina is het gevolg van die ene periode.
Het Weichselien, de laatste ijstijd, kwam met het ijs juist niet tot hier. Het landijs reikte tot de oostelijke helft van Denemarken en het aansluitende Noord-Duitsland en niet verder. Drenthe raakte in de koudste fase overdekt met een toendravegetatie, de ondergrond was diep bevroren, en op open plekken verstoof het zand over grote afstanden. Rond 9700 v.Chr. was het voorbij.
Dat onderscheid is de sleutel tot dit landschap: het Saalien250.000 tot 130.000 jaar geleden, de ijstijd die Drenthe onder landijs bedolf maakte de vormen, het Weichselien werkte ze bij.
Wat het landijs achterliet: keileem en zwerfkeien
Onder het ijs werd puin door de bewegende massa gekneed tot een vrij homogene grondmorene: keileem, een mengsel van leem, zand en grind met een zeer variabel aantal stenen en blokken. Dat spul is slecht doorlatend, en dat is op deze kaart merkbaar. In het Strubben-Kniphorstbos verklaart het waarom een kurkdroog bos toch natte plekken heeft, en het Scheebroek is een keileemkom die water vasthoudt.

Hoe dik dat pakket is verschilt sterk: gemiddeld één tot tweeënhalve meter, maar tussen Gasselte en Annen en ten noorden van Zuidlaren is tien meter gemeten. En op sommige plekken ligt er niets. Tussen de keileemruggen, en bijvoorbeeld op de Zuides van Gasteren, is de leem er door de smeltwaterstromen onder het landijs weer afgehaald – en dan komt eronder het veel oudere Elsterien boven: de potklei die tussen Anderen en Gasteren aan het maaiveld ligt, en het glinsterende Peelozand van het Balloërveld. Waaróm dat juist hier gebeurde, heeft met de ijsstroom zelf te maken: onder de Hondsrugijsstroom lag de bodemtemperatuur hoger, zodat er aan de onderkant meer ijs smolt. Dat smeltwater kon tussen de dode ijsmassa's maar één kant op, zuidzuidoostwaarts richting het Bekken van Münster, en voerde in Noord-Drenthe het materiaal uit het Saalien250.000 tot 130.000 jaar geleden, de ijstijd die Drenthe onder landijs bedolf af. Daardoor liggen hier oudere afzettingen vrijwel aan de oppervlakte.
Er zijn bovendien verschillende soorten. Geoloog Harry Huisman, die het keileemhoofdstuk van de Landschapsbiografie van de Drentsche Aa schreef, onderscheidt er vier, alle vier afgezet door de Hondsrugijsstroom in de laatste fase van het Saalien250.000 tot 130.000 jaar geleden, de ijstijd die Drenthe onder landijs bedolf. Eén uitzondering ligt binnen dit kaartvlak: op het Balloërveld zitten restanten van de Heerenveenkeileem, uit een oudere vergletsjeringsfase die nog noordoost–zuidwest liep – dezelfde richting als de ruggen van Friesland en Zuidwest-Drenthe, en dwars op die van de Hondsrug.
De stenen in die keileem komen uit Scandinavië. De grote zwerfkei aan de Kerkstraat in Eext is er een van, en het is dezelfde steensoort waarmee duizenden jaren later de hunebedden zijn gebouwd – het ijs leverde het bouwmateriaal voor de eerste monumenten van dit gebied.
Eén keer lag dat alles in doorsnede open. Bij de aanleg van Verkeersplein Gieten in 2010 werd de Hondsrug over vijfhonderd meter tot zeven en een halve meter diep doorgraven, en in dat profiel waren afzettingen uit alle drie de IJstijdenhet Saalien, 250.000 tot 130.000 jaar geleden zichtbaar. De keileem uit het Saalien250.000 tot 130.000 jaar geleden, de ijstijd die Drenthe onder landijs bedolf was er minstens zeven meter dik, met dekzand erboven dat in het Weichselien door de wind was aangevoerd. De opvallendste vondst was een vastelandrapakivi uit het Vehmaa-gebied in Zuidwest-Finland van ongeveer 1.100 kilo.

En wat de kou zonder ijs achterliet
Juist omdat het Weichselien hier geen ijs bracht, maar wel permafrost, ligt dit gebied vol vormen die je elders niet zo bij elkaar vindt.
Pingoruïnes. Onder de bevroren bodem duwde opkomend grondwater een ijslens omhoog, die de grond als een heuvel optilde – tot vijftig meter hoog kon zo'n pingo worden, en op de top scheurde de bodem open. Toen het ijs smolt gleed die gescheurde bodem naar de randen af en bleef een ronde laagte over met een randwal eromheen, waarin brokken van diepere aardlagen liggen. In Nederland gaan ze tot twintig meter diep. Tussen Gieten en Eext liggen er tientallen; op deze kaart staan onder meer die bij het Galgwanderveen, de volgestorte laagte aan de Stationsstraat, het Diepveen op het Balloërveld en het Rommeltje bij Gieten.
Het aardige is dat je ze niet aan hun vorm herkent maar aan hun vulling en hun ligging. De maat helpt nauwelijks – de meeste zijn honderdvijftig tot tweehonderd meter breed, en het Halkenveen haalt er zevenhonderd. Dat ze vaak op een rij in de bovenlopen en zijdalen liggen zegt al meer. Maar de veendikte beslist: zit er meer dan twee meter veen in, dan is het hoogstwaarschijnlijk een ingezakte ijslens. Die vuistregel is van De Gans, die de pingoruïnes hier in de jaren tachtig langsging, en hij is streng genoeg om er ongeveer zes van de tien af te laten vallen. Waar dat op deze kaart toe leidt is te zien bij het Kreushaarveen, waar één boring 295 centimeter veen gaf en de vraag daarmee openbleef in plaats van beslecht raakte. In sommige laagtes begon dat veen al achttienduizend jaar geleden te groeien, nog vóór het einde van de ijstijd.
En sinds 2018 is er een lijst. De provincie Drenthe houdt een inventarisatie bij van alle komvormige laagtes – zo'n vijfentwintighonderd in de hele provincie – en probeert er per stuk een soort aan te hangen. Binnen het vlak van deze kaart staan er tweehonderdeenenzeventig in, en de uitslag is nuchter: vierentwintig zijn als pingoruïne vastgesteld en zestien als waarschijnlijke, zesenveertig als uitblazingskom, twaalf als iets anders – en van honderddrieënzeventig, verreweg de meeste, staat er niets anders dan "nog te onderzoeken". Zeven op de tien ronde laagtes op deze kaart zijn dus nog altijd onbeslist, en dat is precies waarom de aardkundige kaart ze allemaal "cirkelvormige laagte" noemt.
Wat er wél is uitgezocht, staat bij de plekken zelf. Als pingoruïne ingeschreven zijn het Diepveen, het Galgwanderveen, het Gietsenveentje (met een diepte van 5,10 meter), het Rommeltje, het Kreushaarveen en het veentje op de Rug van Rolde; het Kleuvenveen geldt als waarschijnlijke. Als uitblazingskom staan de Koningskuil bij Gasteren en de twee laagtes bij de Duunsche Landen ingeschreven. En het Scheebroek valt in de categorie "anders" – geen van beide dus.
Uitblazingskommen. Niet elke ronde kuil is een pingoruïne: een deel is door de wind uitgeschuurd. En het onderscheid is harder om te maken dan de twee namen suggereren – de Rijks Geologische Dienst heeft laten zien dat een deel van de pingoruïnes óók door uitblazing is gevormd, zodat er combinaties van allebei bestaan. Op morfologische gronden alleen valt er daarom lang niet altijd uit te komen, en de makers van de aardkundige kaart van de Drentsche Aa hebben ze om die reden allemaal onder één noemer gezet: cirkelvormige laagte. Dat is geen zwakte van die kaart maar een eerlijke – de vorm vertelt hier niet genoeg, en pas een boring brengt uitsluitsel. Wat een uitblazingskom wél verraadt is zijn ondiepte, en daarmee zijn dunne veenpakket. Bij de Duunsche Landen in het Hunzedal ligt de grootste uitblazingskom van Drenthe, ruim een kilometer breed en zo ondiep dat je er op de grond nauwelijks iets van merkt.
Droogdalen. Geulen zonder beek, uitgesleten door smeltwater over een bevroren ondergrond. Het Zwarte Hull op de oostflank van de Hondsrug en het droogdal in het Bonnerveld zijn er twee, en bij Anloo is het beekdal aantoonbaar geen werk van de beek. Ze zitten alleen op de flanken van de ruggen, want daar kreeg het dooiwater genoeg verval om iets uit te slijten; het Eexterveld wordt in de landschapsbiografie als voorbeeld genoemd.
Stuifzand. Waar de vegetatie wegviel ging het zand aan de wandel: het paraboolduin bij het Egelmeer en de rivierduinen op de oostoever bij Schipborg zijn daarvan het resultaat. Bij een paraboolduin kun je de wind van toen zelfs teruglezen: de armen van de hoefijzer liggen tegen de wind in, omdat de randen vochtig genoeg blijven om begroeid te raken terwijl de top uitstuift. Op de westflank van de Rolderrug liggen er verschillende naast elkaar.
Maar let op het onderscheid tussen twee soorten stuifzand, want maar één ervan hoort op deze pagina. Het dekzand en de duinen uit het Weichselien zijn ijstijdwerk. Het stuifzand dat je vandaag als open zandvlakte ziet is grotendeels mensenwerk en veel jonger: het begint in het Neolithicumca. 5325 tot 1900 v.Chr.Meer over deze periode en komt vooral op gang vanaf de Late middeleeuwen1050 tot 1500Meer over deze periode, wanneer plaggensteken, overbeweiding en betreding de heide kaalleggen. Zulke complexen liggen dan ook niet toevallig bij de esdorpen en langs de oude handelsroutes over de Hondsrug en de Rolderrug – precies waar de karrensporen op deze kaart lopen. Een kenmerk om op te letten: in stuifzandgrond ontbreekt een goed ontwikkeld bodemprofiel, en soms ligt er een fossiele bodem ónder begraven.
De Hondsrug, en waarom hij daar ligt
De Hondsrug zelf is het grootste ijstijdspoor van allemaal: een rug die van Groningen tot voorbij Emmen loopt, in het zuiden zeven kilometer breed en in het noorden twee, grotendeels boven de twintig meter boven NAP. Hij is gevormd door een ijsstroom die het landschap kneedde, en de doorsnede van 2010 liet zien dat hij hier uit twee parallelle takken bestaat, met aan weerszijden verschillende keileem.
Geologen onderscheiden inmiddels vier fasen van ijsbedekking in het Saalien250.000 tot 130.000 jaar geleden, de ijstijd die Drenthe onder landijs bedolf, elk met een eigen richting, en de Hondsrug hoort bij de laatste. In die vierde fase kwam tussen twee stagnerende ijsvelden een snelle ijsstroom op gang, en die schuurde de ruggen uit waar dit gebied zijn tekening aan dankt. Dat verklaart ook waarom de ruggen hier noordnoordwest–zuidzuidoost lopen terwijl ze in Friesland en Zuidwest-Drenthe noordoost–zuidwest liggen: dat zijn de oudere fasen. Wat de Drentsche Aa met die ruggen doet is goed te zien op de hoogtekaart – de beek snijdt zowel de Rug van Tynaarlo als die van Rolde dwars door.
En de beken zelf zijn ook ijstijdwerk, al ligt dat minder voor de hand. In de korte zomers van het Weichselien ontdooide de bovengrond een paar meter diep terwijl de ondergrond bevroren bleef; het dooiwater kon nergens heen en sleep ondiepe erosiegeulen uit, plaatselijk tot in de keileem. In dat stelsel van erosiegeulen zijn later de beken van de Drentsche Aa ontstaan. Dat de dalen zoveel breder zijn dan de beekjes die er nu door lopen, komt uit diezelfde tijd: in de laatste twee IJstijdenhet Saalien, 250.000 tot 130.000 jaar geleden hebben de stromen hier gevlochten, met meerdere geulen tussen kale zandbanken die telkens van plaats wisselden – zoals het nu nog gaat vlak bij een gletsjer. De splitsingen en samenvloeiingen die het beekdal nu nog laat zien – bij Loon splitst het dal, bij Zeegse komen de takken weer samen, bij Gasteren loopt een tak onder de Gasterse Duinen door om bij Schipborg weer uit te komen – zijn restanten van dat oude netwerk.
Er zit zelfs nog een laag onder. De landschapsbiografie laat zien dat de beken breder worden precies waar ze een breuk in de diepe ondergrond passeren, en dat het zout in de diepte meestuurt waar het water loopt: onder Anloo zit een zoutkoepel waarvan de top op vijfhonderdvijftig meter ligt, en bij Schoonloo komt zo'n koepel tot op honderdtwintig meter onder het maaiveld. Op de hoogste punten van dat zout ligt de hoofdwaterscheiding van Drenthe, die de zoutrug van Hooghalen via Schoonloo naar Gasselte volgt: aan de ene kant stroomt het water noordwaarts, aan de andere kant zuidwaarts. Dat het meespeelt is moeilijk toeval te noemen.
Het staat niet stil: de bodem komt nog omhoog
Dit is het deel van dit landschap dat nog steeds bezig is. Uit onderzoek dat de provincie Drenthe met de Universiteit Utrecht liet doen, blijkt dat de bodem zich na het Weichselien is blijven bewegen: het gewicht van het ijs is eraf, en het zout in de diepte veert daar langzaam op terug. Het waterscheidingsgebied tussen Hooghalen, Schoonloo en Gasselte is daardoor gemiddeld zeker twee meter omhooggekomen, plaatselijk misschien wel vijf – en dat proces loopt door, met twee à drie honderdste millimeter per jaar. Niemand merkt dat. Op geologische schaal is het veel, en het heeft zijn sporen nagelaten.
Drie daarvan staan op deze kaart. Het waterscheidingsgebied is erdoor verdroogd: dat de fossiele beekdalen bovenop de waterscheiding droogvielen is dus niet alleen mensenwerk maar ook een natuurlijk proces. De bovenloop van de Drentsche Aa is in de laatste veertigduizend jaar ongeveer achthonderd meter noordelijker komen te liggen. En er zijn sterke aanwijzingen dat het patroon van de beeklopen zelf met die naijlende bodembeweging samenhangt – dezelfde beeklopen waarvan hieronder staat dat ze niet meanderen maar slingeren.
Het zout doet nog iets: het geleidt warmte uit de diepte beter dan het gesteente eromheen. Waar zoutkoepels dicht onder het oppervlak zitten – en dat is hier het geval – mengt zoet en zout grondwater zich daardoor. Boven de diepe geulen uit het Elsterien en vrijwel boven de koepels van Schoonloo en Gasselte welt dat water op met een andere samenstelling en een wat hogere temperatuur dan in de omgeving; in het grondwater is dat gemeten. Waar in de diepte breuken in de zoutlagen zitten, is die kwel sterker – en daar staan andere planten. Dotterbloem en lidsteng zijn de soorten die het verraden.
Die diepe geulen zijn bovendien de drinkwaterkraan van deze streek: er zit enorm veel zoet water in, en de Drentsche Aa levert sinds 1884 water aan Groningen. Dat is meteen de keerzijde van dit hele verhaal. Een systeem dat op zulke subtiele verschillen draait – zoet tegen zout, een graad temperatuurverschil, een breuk op honderden meters diepte – is kwetsbaar voor ingrepen in de diepere ondergrond, en dat is precies wat warmte-koudeopslag en een grotere wateronttrekking doen.
Dat is de reden dat alles op deze kaart ligt waar het ligt. Op de rug lagen de droge routes en later de dorpen met hun essen; ernaast lag het natte Hunzedal met de zandkoppen waarop de eerste jagers hun kampen inrichtten. Het ijs legde de kaart aan; de mensen vulden hem in.
En de beek die het allemaal afvoert, meandert niet
Nog één ding dat aan het eind van de ijstijd is aangelegd en dat vrijwel iedereen verkeerd leest. De Drentsche Aa slingert prachtig door het landschap, en het ligt voor de hand te denken dat die bochten wandelen zoals bij een meanderende rivier: erosie in de buitenbocht, zandafzetting in de binnenbocht, en zo schuift de lus door het dal. Dat gebeurt hier niet.
Ph.H. Kuenen schreef er in 1944 al over, in een stuk dat "De Drentsche riviertjes en het meandervraagstuk" heet. Zijn waarneming is geen berekening maar een vergelijking over tijd: gemeten over meer dan twintig jaar had de bedding zijn loop nauwelijks verlegd. Dat is precies de periode waarin een echte meanderbocht meetbaar opschuift. En wie de gedetailleerde kaarten die De Jonge in 1924 maakte naast de huidige legt, ziet verreweg de meeste bochten nog op vrijwel dezelfde plek liggen. In de hele afgelopen eeuw is er voor zover bekend één meanderbocht op natuurlijke wijze afgesneden. Bij Loon is zo'n afsnijding op de kaarten te volgen: in 1952 stroomt de lus nog, in 1982 is het een eilandje geworden, en op de kaart van 2009 groeit het hoefijzermeer dicht – tussen de wilgen en het riet zitten nu bevers.
Ook de ondergrond wijst die kant op. Onder het veen liggen oude beddingen als smalle zandlichamen, en niet als de brede zone die een geul achterlaat die eeuwenlang door het dal wandelt – langs beken waar dat wél gebeurde is die zone wel aangeboord. Zo bezien liggen de bochten hier waarschijnlijk al duizenden jaren op hun plaats.
Geomorfologen noemen zo'n waterloop geen meanderende maar een slingerende beek: de bochten zijn niet gemaakt dóór de stroming maar zijn er min of meer toevallig ingekomen, door vegetatie, kwelstromen en windworp, en daarna zijn ze blijven liggen. Waarom het meanderen hier uitbleef is niet zeker. De lage stromingsenergie en de stevige venige oevers kunnen de oorzaak zijn; het kan ook zijn dat de kronkels relicten zijn van meandervorming die ooit wél op gang kwam en later stopte, doordat het grondwater is gedaald en een geulvullende afvoer daardoor zeldzaam werd – in het Hunzedal is die daling dramatisch geweest. Op de schaal van deze kaart betekent het in elk geval iets nuchters: de bochten die je op de kaart van 1900 ziet, liggen er nu nog.
Plekken uit de IJstijden op de kaart
Aardkundig monument voor het hele beekdalstelselLangs het Deurzerdiep staat een informatiepaneel dat het beekdalstelsel van de Drentsche Aa…- Aardkundig monument: de uitblazingskom bij de Duunsche LandenIn het Hunzedal bij Annen ligt de grootste uitblazingskom van Drenthe: ruim een kilometer in…
De Duunsche Landen, in de volksmond De BultenLangs de oude loop van de Hunze ligt een complex van langgerekte zandruggen dat plaatselijk De…- De Hondsrug: een ijsstroom die het landschap kneeddeHet Evertsbos ligt op een van de hogere delen van de Hondsrug, een rechte rug van ongeveer…
De Rug van Rolde met het Taarlosche VeentjeTen westen van het Balloërveld loopt de Rug van Rolde, een brede glaciale rug die ongeveer…- De gletsjerkoel, een gat in de keileemTweehonderd meter ten noordwesten van de volgestorte pingoruïne aan de Stationsstraat in Eext…
- De grote zwerfkei aan de KerkstraatDe kei aan de Kerkstraat in Eext meet ongeveer 2,20 meter in de langste richting, 2,10 meter…
De ronde veengaten: pingoruïne of uitblazingskom?Op het Balloërveld liggen ronde kuilen in de heide, en ze zijn niet van één soort.- De volgestorte pingoruïne aan de StationsstraatAchter een boerderij aan de Stationsstraat ligt een flauwe laagte met een klein plasje in het…
- Droogdal Bonnerveld, een vertakte geul zonder beekOp de overgang van de Hondsrug naar het Hunzedal, in het Bonnerveld bij Gieten, ligt een…
Glinsterzand: een van de oudste afzettingen aan de oppervlakteOp de open zandvlakten van het Balloërveld ligt een van de oudste zichtbare afzettingen van…
Het Diepveen, een pingoruïne met een randwalAan de noordwestrand van het Balloërveld ligt het Diepveen, een ronde laagte van ruim…
Het Eexterveld: blauwgrasland op waterdichte kleiTussen Eext en Anderen ligt een rustig golvend heideveld met ronde laagtes erin.- Het Kleuvenveen, waar een hut over het gas werd gebouwdTen oosten van Anderen ligt een ronde laagte in het land. Het Kleuvenveen heet het.
- Het KreushaarveenTen zuidwesten van Eext, in het verlengde van een oud beekdal waar nu de bovenloop van het…
Het Scheebroek: een keileemkom die water vasthoudtHet Eexterveld ligt in een laagte tussen twee langgerekte ruggen van het Hondsrugsysteem, en…- Het Vosseveen op de markegrensHet Vosseveen ligt tussen Anloo en Eext, ten zuiden van het Pinetum, en is een van de…
- Het droogdal Zwarte Hull op de oostflank van de HondsrugOp de steile oostflank van de Hondsrug bij Bonnen ligt een droogdal: een dal waar nu geen beek…
Het smeltwaterdal bij Anloo: het beekdal is geen werk van de beekBij Anloo ligt het Anlooërdiepje in een dal dat veel breder is dan de beek zelf.
Keileem: waarom het nat is in een kurkdroog bosOnder het hele Strubben-Kniphorstbos ligt een zware laag leem, vol gruis en rotsblokken uit…- Paraboolduin bij het EgelmeerBij het Egelmeer op het Balloërveld ligt een hoefijzervormige duinrug die tijdens de laatste…
Pingoruïne bij het GalgwanderveenTussen Gieten en Eext liggen tientallen ronde laagtes in het landschap, en deze plas in het…- Rivierduinen op de oostoever bij SchipborgLangs de oostoever van de Drentsche Aa tussen Schipborg en Westlaren liggen pleistocene…
Verkeersplein Gieten: waar de Hondsrug in 2010 werd doorgesnedenOnder Verkeersplein Gieten, het knooppunt van de N33 en de N34, ligt de enige plek waar iemand…
Voorste Veen en Achterste VeenTen noorden van Gasteren liggen twee smalle, langgerekte veentjes achter elkaar op één lijn:…
Waar het Oudemolensche Diep door de rug van Tynaarlo brakHet Hondsrugsysteem bestaat uit een reeks parallelle zandruggen, en die vormen een barrière…