Landschapssporen

De tijdlijn

IJstijden

Periode·het Pleistoceen; het Saalien bedekte Drenthe met landijs, het Weichselien niet·30 plekken

Dit is de onderste laag van deze kaart. Alle grafheuvels, hunebedden, essen en karrensporen die er verder op staan liggen op een landschap dat al klaar was voordat er iemand woonde – gemaakt door ijs, smeltwater, permafrost en wind. Wie wil begrijpen waarom de mensen op déze koppen zaten en niet 20 meter verderop, begint hier.

Pingoruïne bij het Galgwanderveen
Foto: Jan R. Ubels (Flickr) – CC BY-NC-ND 4.0 · Pingoruïne bij het Galgwanderveen →

Drie ijstijden, en maar één die het ijs tot hier bracht

Het Elsterien is de oudste van de drie die in dit gebied sporen naliet. Het ijsfront lag toen ten noorden van Drenthe, en vóór dat front werden diepe smeltwatergeulen uitgeschuurd. Daarin zakte een zeer zware, zwarte klei neer: potkleiEen zware, vrijwel waterdichte klei die in een vroege ijstijd, het Elsterien, in diepe smeltwatergeulen is bezonken.Alle begrippen, donker gekleurd door bruinkooldeeltjes die het landijs uit Zuid-Denemarken en Noord-Duitsland had meegenomen. Die klei dagzoomt in Noord-Drenthe en op plaatsen langs de oostelijke Hondsrug. Dagzomen is aan de oppervlakte komen in plaats van begraven blijven, en op het Eexterveld gebeurt dat.

Het Saalien250.000 tot 130.000 jaar geleden, de ijstijd die Drenthe onder landijs bedolf is de ijstijd die alles bepaalde. De landschapsbiografie dateert hem van 370.000 tot 130.000 jaar geleden – ruimer dan de Encyclopedie van Drenthe, die 250.000 aanhoudt, omdat het boek het hele tijdvak neemt en de encyclopedie de vergletsjering. In het tweede deel ervan bereikte het Scandinavische landijs zijn grootste uitbreiding: heel Drenthe lag onder een gletsjer van honderden meters dik, en Nederland was bedekt tot aan de grote rivieren. Alles wat hierna komt op deze pagina is het gevolg van die ene periode.

Het Weichselien, de laatste ijstijd, kwam met het ijs juist niet tot hier. Het landijs reikte tot de oostelijke helft van Denemarken en het aansluitende Noord-Duitsland en niet verder. Drenthe raakte in de koudste fase overdekt met een toendravegetatie, de ondergrond was diep bevroren, en op open plekken verstoof het zand over grote afstanden. Rond 9700 v.Chr. was het voorbij.

Dat onderscheid is de sleutel tot dit landschap: het Saalien250.000 tot 130.000 jaar geleden, de ijstijd die Drenthe onder landijs bedolf maakte de vormen, het Weichselien werkte ze bij.

Wat het landijs achterliet: keileem en zwerfkeien

Onder het ijs werd puin door de bewegende massa gekneed tot een vrij homogene grondmorene: keileemEen taaie laag van klei, zand en stenen die het landijs in de voorlaatste ijstijd heeft achtergelaten. Water zakt er slecht doorheen. Waar hij dicht onder de oppervlakte ligt, blijft de regen erop staan: in laagtes ontstonden zo veentjes en vennen, en de grond erboven bleef lang nat. Waar hij ontbreekt, zakt het water in het zand weg.Alle begrippen, een mengsel van leem, zand en grind met een zeer variabel aantal stenen en blokken. Dat spul is slecht doorlatend, en dat is op deze kaart merkbaar. In het Strubben-Kniphorstbos verklaart het waarom een kurkdroog bos toch natte plekken heeft, en het Scheebroek is een keileemkom die water vasthoudt.

Keileem: waarom het nat is in een kurkdroog bos
Foto: Erik Meijerink – CC BY 4.0 · Keileem: waarom het nat is in een kurkdroog bos →

Hoe dik dat pakket is verschilt sterk: gemiddeld 1 tot 2,5 meter, maar tussen Gasselte en Annen en ten noorden van Zuidlaren is 10 meter gemeten. En op sommige plekken ligt er niets. Tussen de keileemruggen, en bijvoorbeeld op de Zuides van Gasteren, is de leem er door de smeltwaterstromen onder het landijs weer afgehaald – en dan komt eronder het veel oudere Elsterien boven: de potklei die tussen Anderen en Gasteren aan het maaiveld ligt, en het glinsterende Peelozand van het Balloërveld. Waaróm dat juist hier gebeurde, heeft met de ijsstroom zelf te maken: onder de Hondsrugijsstroom lag de bodemtemperatuur hoger, zodat er aan de onderkant meer ijs smolt. Dat smeltwater kon tussen de dode ijsmassa's maar één kant op, zuidzuidoostwaarts richting het Bekken van Münster, en voerde in Noord-Drenthe het materiaal uit het Saalien250.000 tot 130.000 jaar geleden, de ijstijd die Drenthe onder landijs bedolf af. Daardoor liggen hier oudere afzettingen vrijwel aan de oppervlakte.

Er zijn bovendien verschillende soorten. Geoloog Harry Huisman, die het keileemhoofdstuk van de Landschapsbiografie van de Drentsche Aa schreef, onderscheidt er vier, alle vier afgezet door de Hondsrugijsstroom in de laatste fase van het Saalien250.000 tot 130.000 jaar geleden, de ijstijd die Drenthe onder landijs bedolf. Eén uitzondering ligt binnen dit kaartvlak: op het Balloërveld zitten restanten van de Heerenveenkeileem, uit een oudere vergletsjeringsfase die nog noordoost–zuidwest liep – dezelfde richting als de ruggen van Friesland en Zuidwest-Drenthe, en dwars op die van de Hondsrug.

De stenen in die keileem komen uit Scandinavië. De grote zwerfkei aan de Kerkstraat in Eext is er een van, en het is dezelfde steensoort waarmee duizenden jaren later de hunebedden zijn gebouwd – het ijs leverde het bouwmateriaal voor de eerste monumenten van dit gebied.

Eén keer lag dat alles in doorsnede open. Bij de aanleg van Verkeersplein Gieten in 2010 werd de Hondsrug over 500 meter tot 7,5 meter diep doorgraven, en in dat profiel waren afzettingen uit alle drie de IJstijdenhet Saalien, 250.000 tot 130.000 jaar geleden zichtbaar. De keileem uit het Saalien250.000 tot 130.000 jaar geleden, de ijstijd die Drenthe onder landijs bedolf was er minstens 7 meter dik, met dekzandFijn zand dat de wind aan het eind van de laatste ijstijd over het land heeft geblazen, als een deken over het oudere landschap. De lage ruggen ervan waren de droge plekken waar mensen woonden en akkerden.Alle begrippen erboven dat in het Weichselien door de wind was aangevoerd. De opvallendste vondst was een vastelandrapakivi uit het Vehmaa-gebied in Zuidwest-Finland van ongeveer 1.100 kilo.

Verkeersplein Gieten: waar de Hondsrug in 2010 werd doorgesneden
Foto: Ennomien – CC BY-SA 4.0 · Verkeersplein Gieten: waar de Hondsrug in 2010 werd doorgesneden →

En wat de kou zonder ijs achterliet

Juist omdat het Weichselien hier geen ijs bracht, maar wel permafrost, ligt dit gebied vol vormen die je elders niet zo bij elkaar vindt.

pingoruïneEen ronde laagte, soms met een lage wal eromheen. Het is wat over is van een heuvel met een kern van ijs uit de laatste ijstijd: toen het ijs smolt, zakte de heuvel in. Vaak staat er water in of is hij met veen gevuld.Alle begrippen. Onder de bevroren bodem duwde opkomend grondwater een ijslens omhoog, die de grond als een heuvel optilde. Zo'n pingo kon tot 50 meter hoog worden, en op de top scheurde de bodem open. Toen het ijs smolt gleed die gescheurde bodem naar de randen en bleef er een ronde laagte over. Soms met een randwal waarin brokken van diepere aardlagen liggen. Die wal is er niet altijd: hij is vaak verwaaid, vergraven of geëgaliseerd. De meeste pingoruïnes zijn 3 tot 8 meter diep, maar in Nederland gaan ze tot 20 meter. Tussen Gieten en Eext liggen er tientallen.

Het aardige is dat je ze niet aan hun vorm herkent maar aan hun vulling en hun ligging. De maat helpt nauwelijks – de meeste zijn 150 tot 200 meter breed, en het Halkenveen haalt 700 meter. Dat ze vaak op een rij in de bovenlopen en zijdalen liggen, zegt minder dan lang gedacht: het Pingo Programma vond ze ook los op de ruggen en verspreid, en hun ligging lijkt evengoed samen te hangen met de opbouw van de ondergrond. Maar de veendikte beslist: zit er meer dan 2 meter veen in, dan is het hoogstwaarschijnlijk een ingezakte ijslens. Die vuistregel is van De Gans, die de pingoruïnes hier in de jaren '80 langsging, en hij is streng genoeg om er ongeveer 6 van de 10 af te laten vallen. Waterdicht is hij niet: het Pingo Programma trof tot eind 2019 ook uitblazingskomEen laagte die de wind heeft uitgeblazen toen het zand kaal lag, in de laatste ijstijd of later op de stuifzanden. De wind nam het zand mee tot op een laag die bleef liggen, zoals het grondwater of leem. Zo'n kom is meestal ondieper dan een pingoruïne, hooguit een paar meter, en heeft vaak een wal van opgewaaid zand aan één kant.Alle begrippen aan met tot 2,25 meter veen. Waar dat op deze kaart toe leidt is te zien bij het Kreushaarveen, waar één boring 295 centimeter veen gaf en de vraag daarmee openbleef in plaats van beslecht raakte. In sommige laagtes begon dat veen al 18.000 jaar geleden te groeien, nog vóór het einde van de ijstijd.

En sinds 2018 is er een lijst. De provincie Drenthe houdt een inventarisatie bij van alle komvormige laagtes – zo'n 2500 in de hele provincie – en probeert er per stuk een soort aan te hangen. Binnen het vlak van deze kaart staan er 271 in, en de uitslag is nuchter: 24 zijn als pingoruïne vastgesteld en 16 als waarschijnlijke, 46 als uitblazingskom, 12 als iets anders – en van 173, verreweg de meeste, staat er niets anders dan "nog te onderzoeken". Zeven op de tien ronde laagtes op deze kaart zijn dus nog altijd onbeslist.

Wat er wél is uitgezocht, staat bij de plekken zelf. Als pingoruïne ingeschreven zijn het Diepveen, het Galgwanderveen, het Gietsenveentje (met een diepte van 5,10 meter), het Rommeltje, het Kreushaarveen en het veentje op de Rug van Rolde; het Kleuvenveen geldt als waarschijnlijke. Als uitblazingskom staan de Koningskuil bij Gasteren en de twee laagtes bij de Duunsche Landen ingeschreven. En het Scheebroek valt in de categorie "anders" – geen van beide dus.

Uitblazingskommen. Niet elke ronde kuil is een pingoruïne: een deel is door de wind uitgeschuurd. Een derde soort is door mensen gegraven, als drinkpoel voor vee of voor bluswater. Op morfologische gronden alleen valt er lang niet altijd uit te komen, en de makers van de aardkundige kaart van de Drentsche Aa hebben ze om die reden allemaal onder één noemer gezet: cirkelvormige laagte. Dat is geen zwakte van die kaart maar een eerlijke – de vorm vertelt hier niet genoeg, en pas een boring brengt uitsluitsel. Hoe dat uitpakt, liet het Elpermeer zien, buiten deze kaart: het gold lang als pingoruïne, tot Wim Hoek er in 2017 een boring zette en hooguit 1,5 meter gyttjaFijne, donkere modder van plantenresten en algen die op de bodem van een meertje bezinkt. In veel pingoruïnes ligt een laag gyttja onder het veen: uit de tijd dat er nog open water stond.Alle begrippen vond, met direct daaronder Peelozand. Een uitblazingskom dus. Op deze kaart is het ven van de Kampsheide zo'n open geval. De geomorfologische kaart zegt pingoruïne, en de pingo-inventarisatie houdt het na kaartanalyse door Anja Verbers in 2020 op waarschijnlijk een pingoruïne; L. van Hoven van Landschapsbeheer Drenthe vermoedt een uitblazingskom. Wat een uitblazingskom wél verraadt is zijn ondiepte, hooguit 2,5 meter, en daarmee zijn dunne veenpakket. De bodem is vrij vlak en bestaat uit dekzand. Bij de Duunsche Landen in het Hunzedal ligt de grootste uitblazingskom van Drenthe, ruim een kilometer breed en zo ondiep dat je er op de grond nauwelijks iets van merkt.

droogdalEen dal zonder beek. Het is in de ijstijden uitgesleten door smeltwater en regen die over de bevroren ondergrond wegstroomden. Toen de bodem ontdooide, zakte het water weer in het zand en viel het dal droog.Alle begrippen. Geulen zonder beek, uitgesleten door smeltwater over een bevroren ondergrond. Het Zwarte Hull op de oostflank van de Hondsrug en het droogdal in het Bonnerveld zijn er twee, en bij Anloo is het beekdal aantoonbaar geen werk van de beek. Ze zitten alleen op de flanken van de ruggen, want daar kreeg het dooiwater genoeg verval om iets uit te slijten; het Eexterveld wordt in de landschapsbiografie als voorbeeld genoemd.

stuifzandZand dat ging stuiven toen de heide door te veel beweiding en plaggen steken kaal raakte. Het trok als duinen over het land.Alle begrippen. Waar de vegetatie wegviel ging het zand aan de wandel: het paraboolduin bij het Egelmeer en de rivierduinen op de oostoever bij Schipborg zijn daarvan het resultaat. Bij een paraboolduin kun je de wind van toen zelfs teruglezen: de armen van de hoefijzer liggen tegen de wind in, omdat de randen vochtig genoeg blijven om begroeid te raken terwijl de top uitstuift. Op de westflank van de Rolderrug liggen er verschillende naast elkaar.

Maar let op het onderscheid tussen twee soorten stuifzand, want maar één ervan hoort op deze pagina. Het dekzand en de duinen uit het Weichselien zijn ijstijdwerk. Het stuifzand dat je vandaag als open zandvlakte ziet is grotendeels mensenwerk en veel jonger: het begint in het Neolithicumca. 5325 tot 1900 v.Chr.Meer over deze periode en komt vooral op gang vanaf de Late middeleeuwen1050 tot 1500Meer over deze periode, wanneer plaggensteken, overbeweiding en betreding de heide kaalleggen. Zulke complexen liggen dan ook niet toevallig bij de esdorpen en langs de oude handelsroutes over de Hondsrug en de Rolderrug – precies waar de karrensporen op deze kaart lopen. Een kenmerk om op te letten: in stuifzandgrond ontbreekt een goed ontwikkeld bodemprofiel, en soms ligt er een fossiele bodem ónder begraven.

De Hondsrug, en waarom hij daar ligt

De Hondsrug zelf is het grootste ijstijdspoor van allemaal: een rug die van Groningen tot voorbij Emmen loopt, in het zuiden 7 kilometer breed en in het noorden 2 kilometer, grotendeels boven de 20 meter boven NAP. Hij is gevormd door een ijsstroom die het landschap kneedde, en de doorsnede van 2010 liet zien dat hij hier uit twee parallelle takken bestaat, met aan weerszijden verschillende keileem.

Geologen onderscheiden inmiddels vier fasen van ijsbedekking in het Saalien250.000 tot 130.000 jaar geleden, de ijstijd die Drenthe onder landijs bedolf, elk met een eigen richting, en de Hondsrug hoort bij de laatste. In die vierde fase kwam tussen twee stagnerende ijsvelden een snelle ijsstroom op gang, en die schuurde de ruggen uit waar dit gebied zijn tekening aan dankt. Dat verklaart ook waarom de ruggen hier noordnoordwest–zuidzuidoost lopen terwijl ze in Friesland en Zuidwest-Drenthe noordoost–zuidwest liggen: dat zijn de oudere fasen. Wat de Drentsche Aa met die ruggen doet is goed te zien op de hoogtekaart – de beek snijdt zowel de Rug van Tynaarlo als die van Rolde dwars door.

En de beken zelf zijn ook ijstijdwerk, al ligt dat minder voor de hand. Wanneer de dalen precies ontstonden, daarover verschillen de bronnen. De geoloog W. de Gans boorde voor zijn proefschrift van 1981 dwars door de dalen, en Hans Elerie neemt zijn beeld in 2026 nog als uitgangspunt: de eerste insnijdingen ontstonden in het warme Eemien, na de voorlaatste ijstijd. In het Weichselien sneed smeltwater onder arctische omstandigheden diepe geulen in de bevroren grond, en die raakten daarna weer gevuld met zand, grind en leem. De ingesneden en weer opgevulde dalen zijn 5 tot 10 meter diep. Andere overzichten laten de dalen al aan het eind van het Saalien250.000 tot 130.000 jaar geleden, de ijstijd die Drenthe onder landijs bedolf beginnen, als geulen van smeltwater van het landijs. Over één ding zijn ze het eens: in dat stelsel van geulen liggen de beken van de Drentsche Aa nog steeds. Dat de dalen zoveel breder zijn dan de beekjes die er nu door lopen, komt uit diezelfde tijd: in de laatste twee IJstijdenhet Saalien, 250.000 tot 130.000 jaar geleden waren de stromen hier gevlochten, met meerdere geulen tussen kale zandbanken die telkens van plaats wisselden – zoals het nu nog gaat vlak bij een gletsjer. De splitsingen en samenvloeiingen die het beekdal nu nog laat zien – bij Loon splitst het dal, bij Zeegse komen de takken weer samen, bij Gasteren loopt een tak onder de Gasterse Duinen door om bij Schipborg weer uit te komen – zijn restanten van dat oude netwerk.

Er zit zelfs nog een laag onder. De landschapsbiografie laat zien dat de beken breder worden precies waar ze een breuk in de diepe ondergrond passeren, en dat het zout in de diepte meestuurt waar het water loopt: onder Anloo zit een zoutkoepel waarvan de top op 550 meter ligt, en bij Schoonloo komt zo'n koepel tot op 120 meter onder het maaiveld. Op de hoogste punten van dat zout ligt de hoofdwaterscheiding van Drenthe, die de zoutrug van Hooghalen via Schoonloo naar Gasselte volgt: aan de ene kant stroomt het water noordwaarts, aan de andere kant zuidwaarts. Dat kan geen toeval zijn.

Het staat niet stil: de bodem komt nog omhoog

Dit is het deel van dit landschap dat nog steeds bezig is. Uit onderzoek dat de provincie Drenthe met de Universiteit Utrecht liet doen, blijkt dat de bodem zich na het Weichselien is blijven bewegen: het gewicht van het ijs is eraf, en het zout in de diepte veert daar langzaam op terug. Het waterscheidingsgebied tussen Hooghalen, Schoonloo en Gasselte is daardoor gemiddeld zeker 2 meter omhooggekomen, plaatselijk misschien wel 5 meter – en dat proces loopt door, met 2 à 3 honderdste millimeter per jaar. Niemand merkt dat. Op geologische schaal is het veel, en het heeft zijn sporen nagelaten.

Drie daarvan staan op deze kaart. Het waterscheidingsgebied is erdoor verdroogd: dat de fossiele beekdalen bovenop de waterscheiding droogvielen is dus niet alleen mensenwerk maar ook een natuurlijk proces. De bovenloop van de Drentsche Aa is in de laatste 40.000 jaar ongeveer 800 meter noordelijker komen te liggen. En er zijn sterke aanwijzingen dat het patroon van de beeklopen zelf met die naijlende bodembeweging samenhangt – dezelfde beeklopen waarvan hieronder staat dat ze niet meanderen maar slingeren.

Het zout doet nog iets: het geleidt warmte uit de diepte beter dan het gesteente eromheen. Waar zoutkoepels dicht onder het oppervlak zitten – en dat is hier het geval – mengt zoet en zout grondwater zich daardoor. Boven de diepe geulen uit het Elsterien en vrijwel boven de koepels van Schoonloo en Gasselte welt dat water op met een andere samenstelling en een wat hogere temperatuur dan in de omgeving; in het grondwater is dat gemeten. Waar in de diepte breuken in de zoutlagen zitten, is die kwel sterker – en daar staan andere planten. Dotterbloem en lidsteng zijn de soorten die het verraden.

Die diepe geulen zijn bovendien de drinkwaterkraan van deze streek: er zit enorm veel zoet water in, en de Drentsche Aa levert sinds 1884 water aan Groningen. Dat is meteen de keerzijde van dit hele verhaal. Een systeem dat op zulke subtiele verschillen draait – zoet tegen zout, een graad temperatuurverschil, een breuk op honderden meters diepte – is kwetsbaar voor ingrepen in de diepere ondergrond, en dat is precies wat warmte-koudeopslag en een grotere wateronttrekking doen.

Dit syteem is de reden dat alles op deze kaart ligt waar het ligt. Op de rug lagen de droge routes en later de dorpen met hun esDe hoge, gezamenlijke akker van een esdorp. De boeren hadden er elk hun eigen stroken, maar de es werd als geheel omheind. Door eeuwen bemesting met plaggen is de grond er dik en bol geworden.Alle begrippen; ernaast lag het natte Hunzedal met de zandkoppen waarop de eerste jagers hun kampen inrichtten. Het ijs legde de kaart aan; de mensen vulden hem in.

En de beek die het allemaal afvoert, meandert niet

Nog één ding dat aan het eind van de ijstijd is aangelegd en dat vrijwel iedereen verkeerd leest. De Drentsche Aa slingert prachtig door het landschap, en het ligt voor de hand te denken dat die bochten wandelen zoals bij een meanderende rivier: erosie in de buitenbocht, zandafzetting in de binnenbocht, en zo schuift de lus door het dal. Op de meeste plekken gebeurt dat hier niet.

Ph.H. Kuenen schreef er in 1944 al over, in een stuk dat "De Drentsche riviertjes en het meandervraagstuk" heet. Zijn waarneming is geen berekening maar een vergelijking over tijd: gemeten over meer dan 20 jaar had de bedding zijn loop nauwelijks verlegd. Dat is precies de periode waarin een echte meanderbocht meetbaar opschuift. En wie de gedetailleerde kaarten die De Jonge in 1924 maakte naast de huidige legt, ziet verreweg de meeste bochten nog op vrijwel dezelfde plek liggen. In de hele afgelopen eeuw is er voor zover bekend één meanderbocht op natuurlijke wijze afgesneden. Bij Loon is zo'n afsnijding op de kaarten te volgen: in 1952 stroomt de lus nog, eind jaren tachtig is het een eilandje geworden – vermoedelijk de bocht bij De Waschbult langs het oude Loonerdiep, waarvan Hans Elerie schrijft dat een overstroming in het voorjaar van 1987 de smalle nek doorsneed – en op de kaart van 2009 groeit het hoefijzermeer dicht – tussen de wilgen en het riet zitten nu bevers.

Ook de ondergrond wijst die kant op. Onder het veen liggen oude beddingen als smalle zandlichamen, en niet als de brede zone die een geul achterlaat die eeuwenlang door het dal wandelt – langs beken waar dat wél gebeurde is die zone wel aangeboord. Zo bezien liggen de bochten hier waarschijnlijk al duizenden jaren op hun plaats.

Helemaal stil liggen ze toch niet overal. De fysisch geograaf Eric Meijles en Foeke Menting vergeleken de kaarten over bijna 200 jaar, met die van De Jonge als ankerpunt, en vonden trajecten die actief meanderen naast trajecten waar de beek zich nauwelijks verlegde. Een verklaring voor dat verschil hebben ze nog niet. En de Wageningse geomorfoloog Jasper Candel liet in 2016 met boringen, dateringen en bodemradar bij Loon, de Kappersbult en in het Gasterensche en Schipborgsche Diep zien dat een bedding in een met veen gevuld dal wel degelijk schuift, maar anders dan in een rivier. Ze slibt op, komt hoger te liggen en verlegt zich zijwaarts naar de zandige dalflank, omdat het veen ernaast meer weerstand biedt. Zo zijn volgens hem al lang geleden de hoekige bochten ontstaan die je nu ziet – anders dan de landschapsbiografie aannam.

Geomorfologen noemen zo'n waterloop geen meanderende maar een slingerende beek: de bochten zijn niet gemaakt dóór de stroming maar zijn er min of meer toevallig ingekomen, door vegetatie, kwelstromen en windworp, en daarna zijn ze blijven liggen. Waarom het meanderen hier uitbleef is niet zeker. De lage stromingsenergie en de stevige venige oevers kunnen de oorzaak zijn; het kan ook zijn dat de kronkels relicten zijn van meandervorming die ooit wél op gang kwam en later stopte, doordat het grondwater is gedaald en een geulvullende afvoer daardoor zeldzaam werd – in het Hunzedal is die daling dramatisch geweest. Op de schaal van deze kaart betekent het in elk geval iets nuchters: de bochten die je op de kaart van 1900 ziet, liggen er nu nog.

En wie er in die kou rondliep

Tijdens de voorlaatste ijstijd en in de warme tussentijd daarna waren er neanderthalers in dit gebied: de vuistbijl van Anderen en de vindplaats tussen Loon en Balloo komen komt uit die wereld. Ook in het begin van de laatste ijstijd waren ze er nog; daaruit komt volgens Stapert de vuistbijl van Anderen. Toen het landijs zich in de laatste ijstijd tot in Noord-Duitsland terugtrok en hier een poolwoestijn achterbleef, verdween de bewoning. Pas aan het eind van die ijstijd, toen de toendra begroeid raakte en de rendieren terugkwamen, trokken er weer jagers doorheen.

Plekken uit de IJstijden op de kaart

Alle plekken per dorp en gebied →