Over landschapssporen
Begrippen
B
baander
De grote deuropening in de zij- of achtergevel van een boerderij, waardoor de hooiwagen naar binnen reed.
boermarke
De vergadering van de boeren die rechten hadden in de marke. Zij besliste over het gebruik van de gemeenschappelijke grond: wie er vee mocht weiden, plaggen mocht steken en hoe de wegen werden onderhouden.
brink
Het open, gemeenschappelijke plein in een esdorp, vaak met bomen en een drinkpoel, waar het vee werd verzameld voordat het naar de heide of de weide ging.
C
celtic field
Een prehistorisch akkersysteem van kleine, vierkante veldjes met lage wallen eromheen, als een honingraat. In Drenthe aangelegd vanaf de late bronstijd tot in de Romeinse tijd. Het Nederlandse woord is raatakker.
D
dekzand
Fijn zand dat de wind aan het eind van de laatste ijstijd over het land heeft geblazen, als een deken over het oudere landschap. De lage ruggen ervan waren de droge plekken waar mensen woonden en akkerden.
dingspel
Een van de zes delen waarin Drenthe voor de rechtspraak was verdeeld. Elk dingspel leverde vier etten voor de Etstoel.
dobbe
Een gegraven drinkpoel voor het vee, op de brink of in het veld.
drost
De vertegenwoordiger van de landsheer in Drenthe, eerst van de bisschop van Utrecht, later van de Staten. Hij zat de Etstoel voor.
E
eigenerfde
Een boer die zijn erf in eigendom had. Eigenerfden hadden samen met de ridderschap zeggenschap in de landdag.
es
De hoge, gezamenlijke akker van een esdorp. De boeren hadden er elk hun eigen stroken, maar de es werd als geheel omheind. Door eeuwen bemesting met plaggen is de grond er dik en bol geworden.
esdek
De laag van opgebrachte mest en plaggen bovenop een es, vaak een halve tot een hele meter dik. Wat eronder ligt, is daardoor goed bewaard gebleven.
Etstoel
Het hoogste rechtscollege van Drenthe, met de drost als voorzitter en vierentwintig etten: eigenerfde boeren, vier uit elk dingspel. Hij kwam eeuwenlang op vaste plaatsen bijeen, in Rolde en Anloo; vanaf het eind van de zeventiende eeuw in Assen.
etten
De vierentwintig rechters van de Etstoel, eigenerfde boeren uit de zes dingspelen.
G
gebint
Het houten skelet van een boerderij: telkens twee staanders met een dwarsbalk, die samen het dak dragen. Het aantal gebinten zegt hoe lang een huis was.
H
haardstedenregister
Een belastinglijst die per huis telde hoeveel haardsteden er waren. In Drenthe zijn ze bewaard vanaf de zeventiende eeuw, en daardoor zijn het ook lijsten van wie waar woonde.
hallenhuis
Een boerderij waarin mens en vee onder één dak woonden, met een brede middenruimte tussen twee rijen staanders.
holt
Een bos van de marke, waar de boeren hout haalden voor gereedschap, heiningen en de bouw. Het kappen was aan regels gebonden. De naam leeft voort in veldnamen.
K
keileem
Een taaie, slecht doorlatende laag van klei, zand en stenen die het landijs in de voorlaatste ijstijd heeft achtergelaten. Waar hij dicht onder de oppervlakte ligt, blijft het water staan.
kerspel
Een kerkdorp met de buurtschappen die erbij hoorden, en tegelijk een eenheid van bestuur.
keuter
Een kleine boer met weinig of geen rechten in de marke, vaak met een bijverdienste als ambachtsman of dagloner.
L
landdag
De vergadering van het hele land Drenthe, van ridderschap en eigenerfden, die besliste over bestuur en wetten.
lotting
Een van de vaste zittingen van de Etstoel. Er waren er drie per jaar.
M
marke
Het gezamenlijke grondgebied van een dorp: de heide, het veen en de weiden die de boeren samen gebruikten, en ook de vereniging van boeren die erover besliste. Wie er rechten in had, heette markegenoot.
markesteen
Een steen die de grens tussen twee of meer marken aangaf.
P
pingoruïne
Een ronde laagte met een lage wal eromheen. Het is wat over is van een heuvel met een kern van ijs uit de laatste ijstijd: toen het ijs smolt, zakte de heuvel in. Vaak staat er water in of is hij met veen gevuld.
plaggen
Stukken heide- of grasgrond met de wortels erin. Ze werden gestoken, in de stal onder het vee gelegd en met de mest erin naar de akkers gebracht.
potklei
Een zware, vrijwel waterdichte klei die in een vroege ijstijd, het Elsterien, in diepe smeltwatergeulen is bezonken.
potstal
Een stal waarin de mest bleef liggen en steeds met nieuwe plaggen werd bedekt, tot hij als mest naar de akkers ging.
S
schulte
Het hoofd van een kerspel, aangesteld door de drost. Hij inde belastingen, hield toezicht en sprak recht in kleine zaken.
spieker
Een voorraadschuur voor graan. In Rolde stond de spieker van de bisschop.
strubben
Laag eikenhakhout op de heide, door vee en kappen kort gehouden. Wat er nu staat, is vaak doorgeschoten tot groepjes eikenstammen.
stuifzand
Zand dat ging stuiven toen de heide door te veel beweiding en plaggen steken kaal raakte. Het trok als duinen over het land.
U
uitblazingskom
Een laagte die de wind heeft uitgeblazen toen het zand kaal lag, in de laatste ijstijd of later op de stuifzanden. De wind nam het zand mee tot op een laag die bleef liggen, zoals het grondwater of leem. Zo'n kom is meestal ondieper dan een pingoruïne, hooguit een paar meter, en heeft vaak een wal van opgewaaid zand aan één kant.
urnenveld
Een begraafplaats uit de late bronstijd en de ijzertijd. De verbrande resten van de doden werden in urnen onder lage heuveltjes bijgezet.
V
voorde
Een ondiepe plek in een beek waar mensen, vee en wagens doorheen konden.
W
waardeel
Een aandeel in de marke: het recht om vee te weiden, plaggen te steken en hout te halen op de gemeenschappelijke grond.
willekeur
Een regel die een gemeenschap zelf vaststelde, zoals de boeren van een marke of de Etstoel, bijvoorbeeld over het weiden van vee, het steken van plaggen of het kappen van hout. Wie zich er niet aan hield, kreeg een boete.