Lukis en Dryden
1817-1892 en 1818-1899·Britse oudheidkundigen·6 plekken
In juli 1878 liepen twee Britse heren van hunebed naar hunebed. Tussen 1 en 22 juli legden William Collings Lukis en Henry Dryden veertig Drentse hunebedden vast, ruim driekwart van wat er nog stond: plattegronden, doorsneden, aanzichten en beschrijvingen. Dryden maakte er minstens twee per dag. Bij D9 in Annen staat dat ze een plattegrond en twee doorsneden tekenden en één scherf opraapten; die ligt nu in het British Museum.
Ze waren vrienden sinds hun studietijd in Cambridge. Lukis werd in 1817 geboren op Guernsey; zijn vader, Frederick Corbin Lukis, groef daar grafkelders op en tekende ze. Hij werd predikant en eindigde als rector van Wath bij Ripon in Yorkshire, waar hij in 1892 stierf. Dryden, geboren in 1818, was baronet en bezat het familiegoed Canons Ashby in Northamptonshire. Hij was een eersteklas landmeter. Allebei maten ze in hun leven honderden megalieten op in Frankrijk en Groot-Brittannië, en in Bretagne werkten ze samen. Lukis wilde onder meer vastleggen hoe een monument erbij lag, voordat een onverstandige restauratie het voorgoed zou bederven; het belangrijkst vond hij dat je de graven met elkaar kon vergelijken. Men mocht hem gerust een stijfkoppige scepticus noemen, schreef hij: hij keek liever met eigen ogen dan dat hij wankele theorieën volgde.
Te laat voor de restauratie
Die vrees was in Drenthe precies op zijn plaats. Rond 1870 kwamen bijna alle hunebedden in bezit van provincie of Rijk, en daarna begon het opknappen. Bij D15 bij Loon liet gouverneur Gregory in 1870 de hele dekheuvel weggraven, tot diep in de ondergrond. Bij D18 in Rolde werden rond 1875 de dekstenen teruggelegd. Augustus Wollaston Franks, van het British Museum en de Society of Antiquaries in Londen, had de hunebedden in 1871 bezocht en sprak zich in 1876 uit tegen de restauraties. Op zijn aandringen stuurde de Society de twee vrienden naar Drenthe. Toen ze er waren, was de schade al gedaan.

Vermoedelijk verdeelden ze het werk zo: Dryden mat en tekende, Lukis beschreef, schetste met een camera lucida en groef hier en daar een klein gat om scherven te zoeken. Bij D15 raapten ze, net als eerdere bezoekers, scherven op van de grond die Gregory had laten afgraven. De vondsten die Lukis meenam, uit onder meer D9, D11, D13 en D14, kwamen na zijn dood in het British Museum terecht. D8 noemden ze 'Schipborg-Bosch'. Hun opmeting van D14 hoort bij de rij tekeningen die later lieten zien hoe een deksteen daar oorspronkelijk lag – de steen die later een halve eeuw verkeerd om heeft gelegen.
Dryden had daarnaast oog voor iets anders. Tussendoor tekende hij de Magnuskerk van Anloo en de kerk van Vries, in aanzichten, plattegronden en details, als met waterverf ingekleurde pentekeningen. De zeven bladen liggen in het museum in Assen.

De tekeningen daarna
In februari 1879 bracht Lukis verslag uit aan de Society. Al in augustus 1878 had Oldenhuis Gratama, die de aankoop van de hunebedden had bepleit, Dryden thuis opgezocht. Hij trof hem aan het werk, en toen hij de tekeningen zag, wilde hij ze voor Assen laten kopiëren. Dryden weigerde: niemand anders mocht dat doen. Hij kopieerde ze zelf, en in mei 1880 waren de kopieën klaar; kort daarna kwamen ze in Assen aan. Publiceren lukte niet; alleen de steendrukken zouden al 700 gulden kosten. In Leiden was Willem Pleyte minder enthousiast. Lukis had de drukproeven van Pleytes eigen hunebeddenwerk gezien en er één gebrek in aangewezen: er kwamen geen plattegronden in. Pleyte schreef in februari 1880 in de krant: "Ik verwacht weinig resultaat van het werk van de heeren Lukis en Dryden."
Ze bleken toch hun waarde te hebben. Willem de Wilde leende de tekeningen, kopieerde ze en controleerde ze in 1905 en 1906 ter plaatse. Alleen het blad van D13 bij Eext ontbrak: Dryden had dat zelf als proefexemplaar naar het museum in Leiden gestuurd, en het ligt nu in het archief van Pleyte. De grafkelder van Eext mat De Wilde zelf op. Van Giffen kende de Assense mappen goed, nam hun doorsneden en aanzichten over in zijn hunebeddenboek en atlas van 1925-1927, en tekende zijn plattegronden in dezelfde stijl. Bij D16 bij Balloo blijkt hun tekening een vraag juist niet te beslissen: welke deksteen waar hoorde, is er niet uit op te maken. Pas in deze eeuw verschenen al hun Drentse tekeningen in druk, in het boek In het spoor van Lukis en Dryden.
Waar Lukis en Dryden op deze kaart staat
Hunebed D11 in de boswachterij van AnlooHunebed D11 ligt verscholen in de boswachterij van Anloo. Er komen vooral wandelaars, fietsers…
Hunebed D14 bij Eexterhalte, en de deksteen die een halve eeuw verkeerd om lagAan de zuidkant van Eext ligt hunebed D14. Met 18 meter is het een van de langste van…
Hunebed D16 bij Balloo, met cupmarksAan de rand van de Ballooër Esch, tussen de grafheuvels van Kampsheide en het Balloërveld,…
Hunebed D8, het geschenk van KniphorstIn het Kniphorstbos bij Anloo staat een compleet en goed bewaard hunebed: vier dekstenen…
Hunebed D9, midden in AnnenAan de Zuidlaarderweg, midden tussen de bebouwing van Annen, ligt hunebed D9.
Magnuskerk van Anloo en de zitting van de EtstoelDe Magnuskerk staat op een lichte verhoging aan de oostelijke brink van Anloo, en op de…