Landschapssporen

Personen

Jan Kolen

·archeoloog en landschapshistoricus·18 plekken

Jan Kolen in 2018, bij zijn benoeming tot decaan van de faculteit archeologie in Leiden.
Jan Kolen in 2018, bij zijn benoeming tot decaan van de faculteit archeologie in Leiden. · Beeld: Martenjesse – CC BY-SA 4.0

Jan Kolen is op deze kaart vaak degene die "voorzichtiger" is. Waar een tekst over de Magnuskerk zegt dat ze aan Sint Magnus gewijd was, of dat er hunebedden voor zijn gesloopt, staat er geregeld een zin achteraan: Kolen twijfelt daaraan. Dat komt uit één boek, zijn proefschrift De biografie van het landschap uit 2005, en vooral uit het hoofdstuk waarin hij Drenthe als voorbeeld neemt.

Hij werd geboren in Maartensdijk, in de provincie Utrecht. In het voorwoord schrijft hij dat het landschap rond dat dorp hem "voor het leven getekend" heeft. Hij studeerde eerst in Utrecht en daarna archeologie in Leiden, en werkte vanaf 1990 voor RAAP, de ROB en ADC. Het idee dat je een landschap kunt beschrijven zoals je een leven beschrijft, kreeg hij in 1991, op weg naar zijn werk bij RAAP. In 2000 kwam hij bij de Vrije Universiteit, waar hij in 2005 cum laude promoveerde en later hoogleraar werd. In 2013 werd hij hoogleraar landschapsarcheologie en cultureel erfgoed in Leiden, en in 2018 decaan van de faculteit archeologie.

Een biografie van wegen en graven

Zijn Drentse hoofdstuk volgt de wegen over het zand en hun rol in de religieuze ordening van het landschap, van de hunebedbouwers tot de begrafenissen van de twintigste eeuw. Daarvoor reisde hij niet alleen door de literatuur. In 1996 maakte hij met Tjalling Waterbolk en Jos Bazelmans een tocht door het Drentse landschap, waar hij in zijn voorwoord met plezier aan terugdenkt. Met Bazelmans schreef hij later een biografie van Waterbolk, op basis van gesprekken met hem, Werk van eeuwen (2015).

Over de hunebedden schrijft hij dat er tussen ongeveer 3400 en 3100 voor Christus over zo'n 45 kilometer Hondsrug minstens dertig verrezen, in ruim twee eeuwen. D15 bij Loon noemt hij het gaafste voorbeeld van het niervormige grondplan, D16 bij Balloo het enige hunebed in Drenthe met cupmarks. Aan D14 bij Eext ziet hij de rijen beitelgaten van steendelvers, mogelijk al uit de Middeleeuwenca. 450 tot 1500Meer over deze periode.

Hunebed D15 bij Loon, met de kransstenen
Foto: Collectie Drents Museum (DM330129), via de beeldbank van het Drents Archief, opname Friedrich Julius von Kolkow – Publiek domein · Hunebed D15 bij Loon, met de kransstenen →

Anloo

Het meest staat hij bij Anloo. Hij volgt de bouwvolgorde van de Magnuskerk die Stumpel in 1987 opzette: eerst een houten kerk met gebogen wanden, uit de negende of tiende eeuw. Binnen de plattegrond van de stiepenkerk die daarop volgde lag een zware vierhoekige voet, waarschijnlijk van een houten klokkenstoel. Volgens Kolen zou dat de vroegste concrete aanwijzing zijn voor klokken in een Drentse kerk. Tot 1427 was dit de enige kerk waarin het lottingDe oude rechtsvergadering van het land Drenthe, in oudere vorm liodthing. Later heetten zo ook de vaste zittingen van de Etstoel, drie per jaar.Alle begrippen werd gehouden; daarna kwam Rolde erbij.

Magnuskerk van Anloo en de zitting van de Etstoel
Foto: Roger Joseph (Flickr) – CC BY-NC-SA 2.0 · Magnuskerk van Anloo en de zitting van de Etstoel →

Juist bij die kerk legt hij de vraagtekens. Dat ze oorspronkelijk aan Magnus gewijd was, acht hij onwaarschijnlijk; hij denkt eerder aan een heilige die in het bisdom Utrecht gebruikelijker was, zoals Willibrord. Of er in Anloo hunebedden voor zijn gesloopt, is volgens hem niet met zekerheid te zeggen, terwijl hij het bij de kerken van Emmen en Odoorn wel waarschijnlijk vindt. Ook de reewegen, waarover het vee naar de groenlanden ging, zijn volgens hem jonger dan wel is aangenomen: hij laat ze in de volle Middeleeuwenca. 450 tot 1500Meer over deze periode ontstaan. En christelijke doden in Drenthe werden tot in de negende eeuw nog op de oude grafvelden begraven, en een graf bij de kerk was tot de elfde eeuw waarschijnlijk voor de elite.

Ook de kleinere sporen pikt hij op. Het dorp Balloo dreef zijn vee over de weg naar de groenlanden, maar wilde vermoedelijk niet meebetalen aan het onderhoud. Van Elerie neemt hij over dat de galgenbergen van Anloo en Balloo ten noorden lagen van de plek waar recht werd gesproken. En in de kuil van de palissade van Anloo lagen een maalsteen en de loper, misschien met opzet neergelegd. Bij Rolde volgt hij Spek: Bloks uitleg dat de Drenten daar samenkwamen omdat het een oud grensgebied in het bos was, noemt hij inmiddels onhoudbaar. Een andere verklaring geeft hij niet, en zo staat het op deze kaart ook.

Waar Kolen op deze kaart staat